<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	xmlns:slash="http://purl.org/rss/1.0/modules/slash/"
	>

<channel>
	<title>Kerst feest 2009&#187; Kerst verhalen drie koningen uit de nieuwe bijbelvertaling</title>
	<atom:link href="http://www.kerst-feest.nl/category/kerst-verhalen/feed" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>http://www.kerst-feest.nl</link>
	<description>kerstpakketten kerstmarkt kerstreizen kerstbomen kerst animaties kerstverhalen</description>
	<lastBuildDate>Thu, 10 Sep 2009 22:10:08 +0000</lastBuildDate>
	<generator>http://wordpress.org/?v=2.8.4</generator>
	<language>en</language>
	<sy:updatePeriod>hourly</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>1</sy:updateFrequency>
			<item>
		<title>drie koningen uit de nieuwe bijbelvertaling</title>
		<link>http://www.kerst-feest.nl/drie-koningen-uit-de-nieuwe-bijbelvertaling</link>
		<comments>http://www.kerst-feest.nl/drie-koningen-uit-de-nieuwe-bijbelvertaling#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 11 Oct 2006 13:11:04 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[Kerst verhalen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.kerst-feest.nl/drie-koningen-uit-de-nieuwe-bijbelvertaling</guid>
		<description><![CDATA[MATTEÜS 2,1-23
DE VLUCHT VOOR HERODES EN ARCHELAÜS
Toen Jezus geboren was in Betlehem in Judea, tijdens de regering van Herodes, kwamen er magiërs uit het Oosten in Jeruzalem aan.
Ze vroegen: ‘Waar is de pasgeboren koning van de Joden? Wij hebben namelijk zijn ster zien opgaan en zijn gekomen om hem eer te bewijzen.’
Koning Herodes schrok hevig [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>MATTEÜS 2,1-23</p>
<p>DE VLUCHT VOOR HERODES EN ARCHELAÜS</p>
<p>Toen Jezus geboren was in Betlehem in Judea, tijdens de regering van Herodes, kwamen er magiërs uit het Oosten in Jeruzalem aan.<br />
Ze vroegen: ‘Waar is de pasgeboren koning van de Joden? Wij hebben namelijk zijn ster zien opgaan en zijn gekomen om hem eer te bewijzen.’<br />
Koning Herodes schrok hevig toen hij dit hoorde, en heel Jeruzalem met hem.<br />
Hij riep alle hogepriesters en schriftgeleerden van het volk samen om aan hen te vragen waar de messias ‘In Betlehem in Judea,’ zeiden ze tegen hem, ‘want zo staat het geschreven bij de profeet:<br />
“En jij, Betlehem in het land van Juda, bent zeker niet de minste onder de leiders van Juda, want uit jou komt een leider voort die mijn volk Israël zal hoeden.&#8221;<br />
Daarop riep Herodes in het geheim de magiërs bij zich; hij wilde precies van hen weten wanneer de ster zichtbaar geworden was, en stuurde hen vervolgens naar Betlehem met de woorden: ‘Stel een nauwkeurig onderzoek in naar het kind. Stuur mij bericht zodra u het gevonden hebt, zodat ook ik erheen kan gaan om het eer te bewijzen.’<br />
adat ze geluisterd hadden naar wat de koning hun opdroeg, gingen ze op weg, en nu ging de ster die ze hadden zien opgaan voor hen uit, totdat hij stil bleef staan boven de plaats waar het kind was.</p>
<p>Toen ze dat zagen, werden ze vervuld van diepe vreugde.<br />
Ze gingen het huis binnen en vonden het kind met Maria, zijn moeder. Ze wierpen zich neer om het eer te bewijzen. Daarna openden ze hun kistjes met kostbaarheden en boden het kind geschenken aan: goud en wierook en mirre.</p>
<p>Nadat ze in een droom waren gewaarschuwd om niet naar Herodes terug te gaan, reisden ze via een andere route terug naar hun land.</p>
<p>Kort nadat zij op die manier de wijk genomen hadden, verscheen er aan Jozef in een droom een engel van de Heer. Hij zei: ‘Sta op en vlucht met het kind en zijn moeder naar Egypte. Blijf daar tot ik je weer roep, want Herodes is naar het kind op zoek en wil het ombrengen.’<br />
Jozef stond op en week nog diezelfde nacht met het kind en zijn moeder uit naar Egypte.<br />
Daar bleef hij tot de dood van Herodes, en zo ging in vervulling wat bij monde van de profeet door de Heer is gezegd: ‘Uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen.’</p>
<p>Toen Herodes begreep dat hij door de magiërs misleid was, werd hij verschrikkelijk kwaad, en afgaande op het tijdstip dat hij van de magiërs had gehoord, gaf hij opdracht om in Betlehem en de wijde omgeving alle jongetjes van twee jaar en jonger om te brengen.<br />
Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet Jeremia:<br />
‘Er klonk een stem in Rama, luid wenend en klagend. Rachel beweende haar kinderen en wilde niet worden getroost, want ze zijn er niet meer.’</p>
<p>Nadat Herodes gestorven was, verscheen er in een droom aan Jozef in Egypte een engel van de Heer.<br />
De engel zei: ‘Sta op, ga met het kind en zijn moeder naar Israël. Want zij die het kind om het leven wilden brengen, zijn gestorven.’<br />
Jozef stond op en vertrok met het kind en zijn moeder naar Israël.<br />
Maar toen hij daar hoorde dat Archelaüs zijn vader Herodes had opgevolgd als koning over Judea, durfde hij niet verder te reizen. Na aanwijzingen in een droom week hij uit naar Galilea.<br />
Hij ging wonen in de stad Nazaret, en zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeten: ‘Hij zal Nazoreeër genoemd worden.’</p>
<p>EINDE</p>
<p>Bron van deze versie:<br />
Nieuwe Bijbelvertaling</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.kerst-feest.nl/drie-koningen-uit-de-nieuwe-bijbelvertaling/feed</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>De Bron Der Wijzen</title>
		<link>http://www.kerst-feest.nl/de-bron-der-wijzen</link>
		<comments>http://www.kerst-feest.nl/de-bron-der-wijzen#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 11 Oct 2006 13:10:23 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[Kerst verhalen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.kerst-feest.nl/de-bron-der-wijzen</guid>
		<description><![CDATA[door Selma Lagerlöf
In het oude land van Juda ging De Droogte rond, met holle ogen en verbitterd, tussen verschrompelde distels en verdord gras.
&#8216;t Was in de zomer. De zon scheen op schaduwloze bergruggen, de minste windkoelte dreef dichte wolken kalkstof op uit het witgrauwe veld, de kudden stonden bijeen in de dalen bij de uitgedroogde [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>door Selma Lagerlöf</p>
<p>In het oude land van Juda ging De Droogte rond, met holle ogen en verbitterd, tussen verschrompelde distels en verdord gras.<br />
&#8216;t Was in de zomer. De zon scheen op schaduwloze bergruggen, de minste windkoelte dreef dichte wolken kalkstof op uit het witgrauwe veld, de kudden stonden bijeen in de dalen bij de uitgedroogde beken.</p>
<p>De Droogte ging rond en inspecteerde de watervoorraad. Ze dwaalde naar Salomons vijvers en zag zuchtend, dat ze nog een massa water tussen hun rotsige oevers bewaarden. Daarop ging ze naar de beroemde bron van David bij Bethlehem en vond ook daar water. Toen liep ze met slepende tred langs de grote landweg, die van Bethlehem naar Jeruzalem leidt.</p>
<p>Toen ze ongeveer halfweg gekomen was, zag zij de Bron der Wijzen, die daar dicht aan de weg ligt en zij merkte spoedig, dat die bijna uitgedroogd was. De Droogte zette zich op de rand van de put, die uit één grote, uitgeholde steen bestaat, en keek naar beneden in de bron. De blanke waterspiegel, die anders heel dicht bij de opening lag, was nu diep omlaag gezonken en slik en modder van de bodem maakten hem onrein en troebel.<br />
Toen de bron het bruin verbrande gezicht van De Droogte zag afgebeeld op haar doffe waterspiegel, begon zij te golven van angst.<br />
&#8220;Ik zou wel eens willen weten, wanneer &#8216;t met jou gedaan kan zijn,&#8221; zei De Droogte. &#8220;Je zult wel geen waterader kunnen vinden daar in de diepte, die je nieuw leven kan komen brengen. En van regen kan er, Goddank, in de eerste twee, drie maanden nog geen sprake zijn.&#8221;<br />
&#8220;Je kunt gerust wezen,&#8221; zuchtte de bron; &#8220;niemand kan me helpen. Daar zou minstens een bronaar uit het Paradijs voor nodig zijn.&#8221;<br />
&#8220;Dan zal ik je niet verlaten, voor alles voorbij is,&#8221; zei De Droogte. Ze zag dat de oude bron haar einde tegemoet ging en nu wilde ze het genoegen hebben haar druppel voor druppel te zien sterven.<br />
Ze zette zich behaaglijk op de rand van de put en verheugde zich als zij de bron in de diepte hoorde zuchten. Zij had er ook veel plezier in te zien hoe dorstige reizigers naar de put kwamen, de aker lieten neerdalen en die optrokken met een paar modderige droppels van de bodem.</p>
<p>Zo ging de hele dag voorbij en toen de schemering viel, keek De Droogte weer in de put. Er blonk nog wat water in de diepte.<br />
&#8220;Ik blijf hier vannacht,&#8221; riep ze. &#8220;Haast je maar niet. Als het zo licht is, dat ik je weer zien kan, ben ik er zeker van, dat &#8216;t met je gedaan is.&#8221;<br />
De Droogte ging op het dak over de put zitten, terwijl de hete nacht, die nog akeliger en pijnlijker was dan de dag, neerdaalde over het land van Juda.<br />
Honden en jakhalzen huilden zonder ophouden en dorstige koeien en ezels antwoordden hen van uit hun warme stallen. Toen eindelijk de wind opstak, bracht hij geen koekte, maar was heet en verstikkend, als de hijgende adem van een groot slapend monster.</p>
<p>Maar de sterren lichtten met haar allerliefelijkste glans en een kleine, blinkende maansikkel spreidde haar mooi groenblauw licht over de grijze heuvels. En in dat licht zag De Droogte een karavaan aankomen en de heuvel optrekken, waar de Bron der Wijzen lag.<br />
De Droogte zat op het lage dak te kijken en verheugde zich opnieuw in al de dorst, die naar de bron kwam en daar geen druppel water vinden zou om gelest te worden.</p>
<p>Daar kwamen zoveel dieren en kameelleiders aan, dat zij de bron wel hadden kunnen leegdrinken, al was die ook helemaal vol geweest. Plotseling kreeg zij de indruk, dat er iets wonderlijks, iets spookachtigs was aan die karavaan, die daar kwam aanzetten in de nacht.<br />
Alle kamelen kwamen eerst te voorschijn op een heuvel, die scherp tegen de horizon afstak; het was alsof zij uit de hemel kwamen. Zij schenen ook groter dan gewone kamelen en droegen al te gemakkelijk de reusachtige lasten waarmee zij beladen waren.<br />
Maar toch kon ze niets anders denken dan dat het werkelijkheid was. Zij zag ze immers heel duidelijk. Ze kon zelfs ook zien, dat de eerste drie dieren dromedarissen waren met grauw glanzend vel en dat ze rijk opgetuigd waren, gezadeld met mooie matten met franje en bereden door schone voorname ruiters.<br />
De hele optocht hield stil bij de bron. De dromedarissen legden zich neer op het veld met drie onwillige, schokkende bewegingen, en hun ruiters stegen af.<br />
De pakkamelen bleven staan en naarmate ze dichter bij elkaar kwamen, schenen ze een onafzienbaar bos te vormen van lange halzen en bulten en wonderlijk opeengestapelde pakken.</p>
<p>De drie ruiters kwamen snel op De Droogte toe en begroetten haar door de handen op de borst te leggen. Zij zag, dat zij glanzend witte gewaden droegen en reusachtige tulbanden, waarop bovenaan een helder glinsterende ster bevestigd was, die straalde alsof zij direct van de hemel genomen was.<br />
&#8220;Wij komen uit een ver land,&#8221; zei een van de vreemdelingen,,,en wij verzoeken u ons te zeggen of dit werkelijk de Bron der Wijzen is.&#8221;<br />
&#8220;Zo wordt zij vandaag nog genoemd,&#8221; zei De Droogte;,,maar morgen is het geen bron meer. Zij zal vannacht sterven.&#8221;<br />
&#8220;Dat kan ik begrijpen, omdat ik u hier zie,&#8221; zei de man; &#8220;maar is dit niet een van de heilige bronnen, die nooit uitdrogen? En van waar heeft zij haar naam?&#8221;<br />
&#8220;Ik weet dat ze heilig is,&#8221; zei De Droogte; &#8220;maar wat kan haar dat helpen? De drie wijzen zijn in het Paradijs.&#8221;</p>
<p>De drie reizigers zagen elkander aan.<br />
&#8220;Kent ge werkelijk de geschiedenis van de oude bron?&#8221; vroegen ze.<br />
&#8220;Ik ken de geschiedenis van alle putten en beken en stromen,&#8221; zei De Droogte trots.<br />
&#8220;Doe ons dan het genoegen en vertel ons die,&#8221; vroegen de vreemdelingen.<br />
En ze zetten zich neer om de oude vijandin van alles wat groeit en luisterden.</p>
<p>De Droogte kuchte even en kroop op de rand van de put, als een sagenverteller op zijn hoge stoel en begon haar verhaal:</p>
<p>&#8220;In Gabes, in Medië, een stad die aan de grenzen van de woestijn ligt en waar ik mij daarom gaarne ophoud, leefden voor vele jaren drie mannen, die beroemd waren om hun wijsheid. Zij waren heel arm, wat een ongewoon verschijnsel was, want in Gabes werd kennis hoog in ere gehouden en goed betaald. Maar door deze mannen kon dit haast niet anders, want een van hen was buitengewoon oud, de tweede was melaats en de derde was een neger, pikzwart en met dikke lippen. De mensen vonden de eerste al te oud om hun wat te kunnen leren, de tweede ontweken ze uit vrees voor besmetting en naar de derde wilden zij niet luisteren, omdat ze meenden te weten, dat nooit enige wijsheid uit Ethiopië gekomen was.<br />
De drie wijzen sloten zich intussen in hun ongeluk bij elkaar aan. Zij bedelden overdag bij dezelfde tempelpoort en sliepen des nachts op hetzelfde dak. Op die wijze hadden zij ten minste gelegenheid zich de tijd te korten door het gezamenlijk onderzoeken van al het wonderbare, dat zij bij dingen en mensen opmerkten.<br />
Op een nacht dat ze, zij aan zij, sliepen op een dak, dat dicht begroeid was met rode bedwelmende papavers, werd de oudste van hen wakker en nauwelijks had hij een blik om zich heen geworpen, of hij wekte de beide anderen.<br />
,,Gezegend zij onze armoede, die ons noodzaakt in de open lucht te slapen,&#8221; sprak hij tot hen. &#8220;Ontwaakt en heft uw ogen op naar de hemel.&#8221;<br />
,,Nu,&#8221; zeide De Droogte met een wat zachter stem, &#8220;dit was een nacht, die niemand, die hem gezien heeft, ooit kan vergeten.</p>
<p>Het heelal was zo licht, dat de hemel, die meestal op een vast gewelf gelijkt, diep en doorschijnend en vol golven scheen als een zee. Het licht stroomde er heen en weer en men zag de sterren drijven op ongelijke diepten, sommige midden in de lichtgolven, andere op hun oppervlakte.<br />
Maar zo ver mogelijk en zo hoog mogelijk zagen de drie mannen een zwakke duisternis en dat duistere vloog door de ruimte als een bal en kwam al dichter bij en naarmate de bal naderde, begon hij te lichten. Maar hij lichtte zoals rozen &#8211; God late ze alle verdorren wanneer ze pas uit de knop komen. Hij werd al groter en het donkere hulsel er om heen sprong langzamerhand en het licht barstte naar buiten in vier heldere bladeren aan de kanten. Eindelijk, toen hij zo ver naar beneden was gekomen als de dichtstbijzijnde ster, hield hij stil. Toen bogen de donkere stukken geheel op zijde en er wikkelde zich het ene blad na het andere los van een prachtig stralend rozenkleurig licht, tot hij eindelijk geheel klaar was en straalde als de schoonste onder de sterren.<br />
Toen de arme mannen dat zagen, zei hun wijsheid hun, dat op dit uur op aarde een machtige Koning geboren werd, een wiens macht die van Cyrus en Alexander te boven zou gaan.<br />
En ze zeiden tot elkander: &#8220;Laat ons naar de vader en de moeder van de Pasgeborene gaan en hun zeggen wat we zoeven gezien hebben. Misschien dat ze ons dan belonen met een zak munten of met een gouden armband.&#8221;<br />
Ze namen hun lange wandelstaven op en begaven zich op weg. Ze gingen de stad door en de stadspoort uit. Maar daar waren ze een ogenblik in de war, want nu breidde zich voor hen uit de grote droge, lieflijke woestijn, die de mensen verafschuwen. Toen zagen ze, hoe de nieuwe ster een smalle streep licht over het woestijnzand wierp en zij gingen getroost voort met de ster als wegwijzer.<br />
Zij gingen de hele nacht voort over de witte zandvlakte en onder de hele tocht spraken ze over de jonge pasgeboren Koning, die ze zouden vinden, slapend in een wieg en spelend met edelgesteenten.<br />
Zij verkortten de uren van de nacht door er over te spreken, hoe zij tot zijn vader, de koning, zouden gaan en tot zijn moeder, de koningin, en hun zeggen, dat de hemel hun zoon kracht en macht en schoonheid en geluk voorspelde, groter dan die van Salomo.<br />
Ze verhieven er zich op, dat God hen geroepen had om de ster te zien. Zij zeiden, dat de ouders van de jonggeborene hen niet met minder dan twintig zakken goud konden belonen. Misschien zouden zij zelfs wel zoveel geven, dat zij de pijn van de armoede niet meer behoefden te dragen.<br />
,,Ik lag op de loer in de woestijn als een leeuw,&#8221; zei De Droogte,,,en wilde me op deze reizigers werpen met alle ellende van de dood, maar ze ontkwamen mij.</p>
<p>De ster leidde hen de hele nacht en tegen de morgen, toen het licht werd en de andere sterren verbleekten, bleef deze hardnekkig staan en lichtte over de woestijn, tot ze hen geleid had naar een oase, waar zij een bron en vruchtdragende bomen vonden. Daar rustten zij de gehele dag en eerst tegen de nacht, toen ze het sterrenlicht over het woestijnzand zagen, gingen zij verder.&#8221;</p>
<p>&#8220;Voor een mens,&#8221; ging De Droogte voort,,,was het een heerlijke wandeling.</p>
<p>&#8221; De ster leidde hen zo, dat ze honger noch dorst behoefden te lijden. Zij bracht hen voorbij de scherpe distels. Zij ontweken het diepe losse stuifzand, zij ontweken de scherpe zonneschijn en de hete woestijnstorm. De drie wijzen zeiden aanhoudend tegen elkaar: &#8220;God beschermt ons en zegent onze gang; wij zijn Zijn gezanten.&#8221;<br />
&#8220;Maar zo langzamerhand kreeg ik toch macht over hen,&#8221; ging De Droogte voort.</p>
<p>&#8220;Het hart van die sterrenreizigers veranderde in een woestijn, even droog als die waar ze doortrokken. Zij werden vol onvruchtbare trots en verwoestende gierigheid. &#8220;Wij zijn Godsgezanten,&#8221; herhaalden de drie Wijzen. &#8220;De vader van de pasgeboren Koning beloont ons niet te hoog, als hij ons een karavaan schenkt, beladen met goud.&#8221;<br />
&#8220;Eindelijk leidde een ster hen over de beroemde Jordaan en de heuvels van Jeruzalem op. En op een nacht bleef die staan boven de stad Bethlehem, die tussen de groene olijven op een heuvel lag te schitteren.</p>
<p>&#8220;De drie Wijzen zagen rond naar een paleis en vestingtorens en muren en al zulke dingen, die bij een koningsstad horen; maar zij zagen niets. En wat erger was, het sterrenlicht leidde hen niet eens de stad in, maar bleef staan bij een grot aan de kant van de weg. Daar gleed het zachte licht naar binnen door een opening en toonde de drie wandelaars een kindje, dat op moeders schoot rustig lag te slapen.<br />
&#8220;Maar hoewel nu de drie Wijzen zagen, dat het sterrenlicht het hoofdje van het kind omstraalde als een kroon, bleven zij buiten de grot staan. Zij gingen niet naar binnen om de kleine eer en een koninkrijk te voorspellen. Zij wendden zich af zonder hun tegenwoordigheid te verraden, en zij vluchtten van het kind weg en liepen terug naar de heuvel.<br />
&#8220;Zijn wij uitgegaan naar bedelaars, die even arm zijn als wij?&#8221; zeiden ze. &#8220;Heeft God ons hierheen geleid, opdat wij met Hem zouden spotten, en eer en aanzien voorspellen aan de zoon van een schaapherder? Dat kind brengt het nooit verder dan dat hij zijn kudde hoeden zal hier in het dal.&#8221;<br />
De Droogte hield op en knikte bevestigend haar toehoorders toe. &#8220;Heb ik geen gelijk?&#8221; scheen zij te vragen. &#8220;Er is iets, dat droger is dan woestijnzand, maar niets is onvruchtbaarder dan het mensenhart.&#8221;</p>
<p>&#8220;De drie Wijzen hadden niet lang gelopen, toen het hun voorkwam, dat zij verdwaald waren en de ster niet goed gevolgd hadden,&#8221; ging De Droogte voort. &#8220;En zij zagen omhoog om de ster te vinden en de rechte weg. Maar toen was de ster, die zij heel uit het oosten gevolgd hadden, van de heuvel verdwenen.&#8221;<br />
De drie vreemdelingen maakten een heftige beweging en op hun gezichten lag een uitdrukking van diepe smart.</p>
<p>&#8220;Wat nu gebeurde,&#8221; ging de spreekster voort, &#8220;is van &#8216;t standpunt van een mens uit gezien, misschien gelukkig. Dit is zeker, dat de drie mannen, toen zij de ster niet meer zagen, begrepen dat zij tegen God gezondigd hadden. En hun geschiedde,&#8221; vertelde De Droogte bevend verder, &#8220;zoals het veld in de herfst, als de sterke regens beginnen.</p>
<p>&#8220;Zij beefden van schrik als voor donder en bliksem, hun ziel werd week en ootmoed ontsproot in hun hart als groen gras.&#8221;</p>
<p>&#8220;Drie dagen en drie nachten dwaalden zij door het land om het kind te vinden, dat zij moesten aanbidden. Maar de ster vertoonde zich niet aan hen. Zij verdwaalden steeds verder en voelden de grootste smart en wanhoop. In de derde nacht kwamen zij aan deze bron om te drinken. En toen had God hun de zonde vergeven, zodat, toen ze zich over het water bogen, zij daar in de diepte het spiegelbeeld zagen van de ster, die hen uit het oosten hierheen geleid had.<br />
&#8220;En onmiddellijk zagen zij die ook aan de hemel en zij leidde hen opnieuw naar de grot in Bethlehem. En zij knielden voor het kind en zeiden: &#8220;Wij brengen U gouden schalen met wierook en kostbare kruiden. Gij zult de grootste koning worden, die op aarde geleefd heeft, van haar schepping af tot haar ondergang toe.&#8221;<br />
&#8220;Toen legde het kind zijn hand op hun gebogen hoofden, en toen zij opgestaan waren, had het hun geschenken gegeven groter dan een koning ze geven kon. Want de oude bedelaar was jong geworden, de melaatse was gezond. En men zegt, dat zij zo heerlijk waren om aan te zien, dat zij heentrokken en koning werden &#8211; ieder in zijn eigen land.&#8221;</p>
<p>De Droogte hield op met vertellen en de drie vreemdelingen prezen haar:,,Ge hebt goed verteld,&#8221; zeiden zij.<br />
&#8220;Maar het verwondert mij,&#8221; zei de ene, &#8220;dat de drie Wijzen niets voor de bron deden, die hun de ster toonde. Zouden ze zulk een weldaad geheel vergeten?&#8221;<br />
&#8220;Moet zulk een bron niet altijd blijven bestaan?&#8221; zei de tweede vreemdeling, &#8220;om de mensen te herinneren, dat het geluk, dat verloren wordt op de bergen van de hoogmoed, teruggevonden kan worden in het dal van de nederigheid?&#8221;<br />
&#8220;Zijn de overledenen dan erger dan de levenden?&#8221; zei de derde. &#8220;Sterft de dankbaarheid bij hen, die leven in het Paradijs?&#8221;</p>
<p>Maar toen zij dit zeiden, sprong De Droogte op met een kreet. Zij had de vreemdelingen herkend, ze begreep wie die reizigers waren.</p>
<p>En zij vluchtte als een razende om niet behoeven te zien hoe de drie Wijzen hun dienaren riepen en hun kamelen naar de bron leidden, allen beladen met waterzakken, en de arme, stervende bron vulden met water, dat zij uit het Paradijs gehaald hadden</p>
<p>EINDE</p>
<p>Bron van deze versie:<br />
Dit verhaal is een van de Christuslegenden van Selma Lagerlöf Deze bundeling van 11 berwerkingen van verhalen uit het vroege christendom is onlangs opnieuw verschenen. bij uitgeverij Christofoor. Het is ook te bestellen via deze site bij Bol.com:<br />
Christuslegenden<br />Selma Lagerlöf<br />
Christuslegenden<br />
Selma Lagerlöf</p>
<p>Toelichting:<br />
Door reizen naar Italië en het Midden-Oosten leerde Selma Lagerlöf de (literaire) mogelijkheden van legenden kennen. Na Gösta Berlingssaga (1891) begon ze ronde eeuwwisseling steeds vaker legende te verzamelen en te bewerken. De bekenste legendebundel is Christuslegenden uit 1904, waarvoor zij de stof gedeeltelijk uit de Apocriefe Boeken haalde.<br />
Met Christuslegenden heeft Selma Lagerlöf bewezen dat legenden een levend onderdeel van de literatuur kunnen zijn. Zij is erin geslaagd het karakter van de legenden zo zuiver mogelijk te handhaven en tegelijkertijd de beeldentaal te verrijken en uit te diepen tot een niveau, dat alleen een groot schrijver weet te bereiken.</p>
<p>Selma Ottilia Lovisa Lagerlöf (20 november 1858 – 16 maart 1940) was een Zweeds schrijfster, die vooral bekend is geworden door haar kinderboek Nils Holgerssons wonderbare reis door Zweden.<br />
In 1909 ontving ze de Nobelprijs voor de Literatuur en in 1914 werd ze lid van het comité dat de Nobelprijs voor de Literatuur toekent: de Zweedse Academie.<br />
Ze woonde in de plaats Sunne, waar twee hotels naar haar zijn vernoemd. In haar voormalige woonhuis in Mårbacka (nabij Sunne) is tegenwoordig een museum gevestigd.<br />
Sinds 1991 staat haar portret op het bankbiljet van 20 Zweedse kronen.</p>
<p>Samenvatting:<br />
In dit driekoningen verhaal van Nobelprijs winnaar Selma Lagerlöf wordt de zoektocht naar de geboorteplaats van het Christuskind vertelt vanuit het perspectief van een wezen dat een anders niets gunt: De droogte. En niet alleen de droogte door gebrek aan water maar ook het gebrek aan hartewarmte.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.kerst-feest.nl/de-bron-der-wijzen/feed</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Wolven in de kerstnacht</title>
		<link>http://www.kerst-feest.nl/wolven-in-de-kerstnacht</link>
		<comments>http://www.kerst-feest.nl/wolven-in-de-kerstnacht#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 11 Oct 2006 13:09:39 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[Kerst verhalen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.kerst-feest.nl/wolven-in-de-kerstnacht</guid>
		<description><![CDATA[Het gebeurde in Zweden, in het gedeelte dat zo dicht bij de koude Noordpool ligt, dat de winter er wel drie maal zo lang duurt als hier. Het is een boze, ijzige winternacht en alles ligt onder een dikke sneeuwlaag verborgen. De dagen zijn kort en omstreeks het midden van de winter zo kort, dat [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Het gebeurde in Zweden, in het gedeelte dat zo dicht bij de koude Noordpool ligt, dat de winter er wel drie maal zo lang duurt als hier. Het is een boze, ijzige winternacht en alles ligt onder een dikke sneeuwlaag verborgen. De dagen zijn kort en omstreeks het midden van de winter zo kort, dat het haast geen dag meer genoemd kan worden. Voor het goed en wel licht is geworden, komt de avond al weer. Er zijn allerlei gevaren: felle vrieskou en sneeuwstormen&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;. en wolven soms. Maar de mensen die daar in &#8216;t hoge Noorden wonen zijn aan al deze dingen wel gewend en ze weten niet anders of de winter hoort zo. De hoge, rotsige bergen&#8230;&#8230;.. de grote stille dennenbossen&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;.. hoofdwegen en landweggetjes&#8230;.. steden en boerendorpjes&#8230;&#8230;&#8230; alles dik onder de sneeuw. Dan moet je met sleden of ski&#8217;s naar school, naar de kerk, naar de stad om te winkelen of op bezoek bij familie.</p>
<p>Een Zweedse boer spant zijn paard voor de slee om zo&#8217;n tocht naar de stad te maken. Hij gaat dingen kopen voor Kerstmis, want in zijn eigen dorpje zijn geen winkels waar je zoiets kunt kopen. Zijn vrouw staat bij hem en helpt met het inspannen van het paard. Het paardje trappelt van ongeduld; het heeft de frisse buitenlucht geroken en het hinnikt van plezier. &#8220;Waar wil je de boodschappen in doen?&#8221; vraagt zijn vrouw. De man krabt zich eens achter de oren, terwijl hij zijn gezicht vol rimpels trekt. &#8220;Drommels, dat zou ik bijna vergeten. Goed dat je het zegt moeder. De kist van verleden jaar hebben we niet meer. Zou ik de regenton nemen? Die gebruiken we toch voorlopig niet meer.&#8221;<br />
&#8220;Welja,&#8221; zegt de vrouw. &#8220;Neem de ton mee. Wacht, ik zal je helpen om hem op de slee te krijgen. Zul je er om denken dat je voor donker weer thuis bent? Laat me nou niet ongerust over je hoeven te worden.&#8221;<br />
&#8220;Je moet niet zo gauw ongerust zijn,&#8221; lacht de man. &#8220;Natuurlijk ben ik voor donker thuis! Zover is het toch niet! Dan steken we alle kaarsjes aan en gaan we kerstfeest vieren rondom de boom. Wat zullen de kinderen blij zijn. Ik verheug me er echt op!&#8221;<br />
Vlug springt de man op de slee en voort gaat het over de harde glinsterende weg in de richting van de stad waar de mooie winkels zijn.</p>
<p>&#8216;t Paardje is niet jong meer, maar het is goed gevoed en uitgerust en het draaft over de weg dat het een lust is. Een ijzig koude wind snerpt de man langs de oren. &#8216;t Hindert hem niet. Hij is zo blij, dat hij overal tegen kan. Hij denkt aan het kerstfeest dat ze weer zullen vieren. Het roodgloeiend opstoken van de kachel. &#8216;t Kerstverhaal voorlezen, samen mooie kerstliederen zingen en alleen maar warme, gelukkige gezichten. &#8220;En voor moeder koop ik ook wat,&#8221; zegt hij tegen de achterkant van zijn paard. &#8220;Voor zichzelf heeft ze natuurlijk niets op het boodschappenlijstje geschreven; zichzelf heeft ze natuurlijk weer vergeten. Maar het zou wel vreemd zijn als ik in de één of andere winkel niet iets ontdek waar ze blij mee zal zijn.&#8221; &#8216;t Paard zwaait vrolijk met zijn staart. Het is net alsof hij zijn baas begrijpt. Ze zijn aan elkaar gewend geraakt, al deze jaren.<br />
&#8220;Het is maar goed,&#8221; zegt de man, &#8220;dat ik de regenton heb meegenomen. Daar doe ik al die boodschappen makkelijk in en dan hoef ik niet bang te wezen dat er op de terugweg iets uitvalt.&#8221;<br />
Het paard huppelt bijna over de weg. Zijn adem vliegt als een dampwolk naar achteren. Af en toe briest hij; dan lijkt het wel of er water uit zijn neusgaten spuit. De zon komt even door de wolken en de slee rijdt door een toverwereld. De sneeuw flonkert alsof zijn met goud bestrooid is. De wind fluit iets minder scherp om de slee. De man knalt vrolijk met zijn zweep. Hij voelt zich erg gelukkig!</p>
<p>In de stad is het druk, maar met de boodschappen gaat het vlot. De boer merkt het wel dat de mensen uit de stad lachen om die grote regenton, maar de man lacht zelf vrolijk mee. &#8220;Ja man,&#8221; zegt hij tegen de bakker, bij wie hij het laatst komt, &#8220;Ik moet er nog een heel eind mee rijden en ik moet er niet aan denken dat ik wat zou verliezen.&#8221;<br />
&#8220;Ja, en voor de wolven is mijn krentenbrood veel te goed!&#8221; grapt de bakker.<br />
Nu kijkt de man opeens heel ernstig en strak. &#8220;Met de wolven moet je niet spotten!&#8221;zegt hij.<br />
&#8220;Ben je ze wel eens tegengekomen op de weg?&#8221;<br />
&#8220;Nee, gelukkig niet!&#8221;<br />
&#8220;O, zo. Nou, ik wel en dat was geen grapje, dat kan ik je wel zeggen.&#8221;<br />
Ja, dat kan de bakker zich wel voorstellen. Een wolf! Hu&#8230;&#8230;. Maar nu moet hij vlug naar zijn winkel terug en de boer moet haast maken om thuis te komen. Hij haalt zijn verkreukelde boodschappenbriefje te voorschijn. Het is er met dat briefje niet beter op geworden. Het is gescheurd en vies geworden en het ruikt sterk naar tabak. Maar alle dingen zijn doorgestreept. Dat is dus in orde. En voor moeder, die zichzelf altijd vergeet zitten nog drie extra pakjes in de ton. Daarover heeft hij nog het meest plezier. Wat zal ze kijken!</p>
<p>Plotseling kijkt hij naar de hoge torenklok en bekijkt daarna bezorgd de lucht. De zon is allang weggetrokken. Er komen grauwe wolken aandrijven. Brengen die nog meer sneeuw misschien? &#8216;t Kan best. Er is een strenge winter voorspeld. In ieder geval zal het vandaag nog vroeger donker zijn dan anders.<br />
&#8220;Ik ga nergens meer langs om een kop koffie te drinken,&#8221;zegt de man tegen zijn paard. &#8220;We gaan gauw naar huis, Bles. Thuis krijgen we wel weer eten en drinken, wat jij!&#8221;<br />
Voort gaat het nu weer over de witte straten. In draf de stad uit, een paar dorpjes door, die bijna aan de stad zijn vastgegroeid en dan de grote witte eenzaamheid in. Daar, heel in de verte, staat het bos als een hoge, donkere muur. &#8220;Vort Bles! Vort! Achter het bos ligt ons dorp. Daar is het huis met moeder en de kinderen. Daar gaan we kerstfeest vieren. Dat bos is maar niks als het nacht is. Maar, we halen het nog wel. Als jij je best maar doet. Vort, Bles!&#8221;<br />
&#8216;t Paardje trippelt uit alle macht. Het open witte sneeuwveld door, het grote stille bos in. De man heeft het gevoel dat achter hem een grote deur dichtvalt wanneer hij het vos inrijdt. Het is al donker tussen de stammen van de bomen.<br />
Kan het ergens zo geruisloos en geheimzinnig zijn als in een groot, Zweeds sneeuwbos? Het lijkt of er iets tegen je spreken wil en toch is er geen stem! Er breekt een tak door de zware sneeuw. De sneeuw glijdt met scherp geritsel omlaag, de tak blijft omgekeerd hangen tussen de andere takken. Plotseling rilt de man op zijn slee. Hij rilt niet van de kou deze keer. Er is iets in het donkere bos, iets dat hij niet kan verklaren. Was hij maar vast thuis!<br />
&#8220;Kom Bles, laat zien wat je kunt. Ik wil kerstfeest vieren met moeder en de kinderen. Doe je best Bles, dat we gauw het bos uit zijn! Het is hier niet pluis Bles!&#8221;</p>
<p>Wat is dat daar&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;..aan de kant van de weg? Een klein zwart ding, dat langzaam voortbeweegt. Wat kan het zijn? &#8220;Vort Bles! Snel er langs!&#8221;<br />
De zweep knalt, strak staan de teugels. De slee schiet het zwarte ding voorbij. Even kijkt de boer opzij, naar beneden. O, &#8216;t is een oude vrouw. Een heel oud en arm, kromgegroeid vrouwtje. Tijdens het voorbijrijden kijkt de boer even. De oude vrouw kijkt naar de slee met smekende ogen.<br />
&#8220;Nou, die is vast niet goed wijs,&#8221; zegt de boer tegen de paardenrug. &#8220;Die is stapelgek, kun je wel zeggen. Weet dat oude mens niet dat er wel eens wolven zijn in deze bossen? Wie gaat er nu tegen de avond het bos in. Nou ja, moet ze zelf ook maar weten. Ik heb er niks mee te maken. Vort Bles, we gaan gauw naar huis, kerstfeest vieren!&#8221;</p>
<p>Kerstfeest? De boer schrikt opeens voor het woord dat hij de laatste dagen al zo vaak heeft gebruikt. Kerstfeest, kerstfeest. Iedereen zegt het tien, twintig keer op een dag. Je denkt er haast niet meer bij. Kerstfeest vieren? Wil jij kerstfeest vieren? Jij, die een arm, weerloos oud vrouwtje wilt laten verscheuren door de wolven?! Wou jij kerstfeest vieren?<br />
&#8220;Ho!&#8221; roept de boer opeens luid tegen zijn paard. Hij schrikt van zijn eigen stem, die schalt door het bos. Meteen trekt hij zo hard aan de teugels, dat het beestje ook schrikt. Zijn hoeven glibberen over de gladde weg. &#8216;t Gooit de kop wild achteruit. &#8220;Ho Bles! We moeten keren, jong! We moeten dat oude mensje oppikken. Zó kan ik geen kerstfeest vieren!&#8221;<br />
Voorzichtig trekt hij aan de teugels&#8230;.. ja&#8230;&#8230;ja&#8230;..toe maar&#8230;..toe maar&#8230;&#8230;&#8230;.ja. Best beestje hoor! Dan gaat het snel terug tot waar het mensje nog strompelt in de sneeuw. Verrast kijkt ze de boer aan, die bij haar halt houdt. &#8220;Stap op,&#8221; zegt hij kortaf. &#8220;Stap gauw op de slee. Onderweg kun je me wel vertellen waar je heen wilt.&#8221;<br />
&#8216;t Oude vrouwtje gaat zitten. &#8220;Baas, baas, wat ben ik je dankbaar&#8230;&#8230;&#8230;. Wat ben ik je dankbaar!&#8221; Ze trekt haar doek vaster om de magere schouders en geniet van de snelle, veilige rit. Ze vertelt dat ze naar haar kleindochter op weg is, die heeft een kindje gekregen&#8230;&#8230;. Maar geld om zich te laten rijden heeft ze niet. En ze heeft niemand anders op de hele wereld dan die ene kleindochter. Al de anderen zijn dood.</p>
<p>&#8220;Wat een stakker,&#8221; denkt de boer. &#8220;Nou ja, ze zit nu tenminste veilig in de slee.&#8221;<br />
&#8220;Vort Bles! Zie je wel hoe donker het tussen de stammen wordt? We zijn veel tijd kwijtgeraakt, Bles! Dat halen we niet zo gemakkelijk weer in.!&#8221;<br />
De sneeuw kraakt onder de slee, de wind fluit, de stille bomen kijken droevig de reizigers na, alsof ze een geheim weten, dat ze niet zeggen kunnen. Weer rilt de boer. Hij geeft zijn paard nog een tikje met de zweep. Waren ze het bos maar uit<br />
Buiten op de vlakte is het lichter! Daar kun je, heel in de verte het dorp al zien liggen.<br />
&#8220;Vort Bles! Vort!&#8221;<br />
Plotseling komt er, boven het geluid van sneeuw en wind uit, een hoge, langgerekte toon dichterbij. Uit de diepste diepte van het bos komt die toon. Man, vrouw en paard horen hem tegelijkertijd. Ze krimpen ineen. Wat ze horen is het geluid van wolven die een achtervolging beginnen. Wolven! Wolven! Een groep hongerige, bloeddorstige wolven!<br />
&#8220;Vooruit Bles! Vooruit! We moeten kerstfeest vieren thuis mèt moeder en de kinderen! Ze wachten op ons, Bles! Ze kijken naar ons uit!&#8221;<br />
Nog nooit heeft het kerstfeest hem zo wonderlijk geleken als nu, nu hij het misschien wel nooit meer vieren zal! Nooit meer, omdat hij dood in het bos zal liggen&#8230;&#8230;&#8230;. dood en verscheurd&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;. door wolven verscheurd. Vort Bles! Vort!<br />
Weer snijdt een scherp wolvengejank door de koude winterlucht. Dichterbij zijn ze al gekomen. Hoor, hoor!! &#8216;t Geluid komt dichterbij. Geen dier in de wildernis loopt zo snel als een hongerige wolf in een troep. De oude vrouw komt wat overeind. Ze rekt haar hals. Haar oude gezicht ziet er bezorgd uit. Ze heeft het geluid van de wolven wel begrepen. Ze weet wel, waarom de boer zijn paard plotseling zo voortzweept. De wolven komen! Ze hebben honger en ruiken het spoor van mensen en dieren.</p>
<p>&#8216;t Grootste en wreedste gevaar van de eenzame sneeuwbossen komt snel als de wind dichterbij! &#8216;t Oude vrouwtje zucht diep en smartelijk. Ze vouwt haar magere handen, het is het enige dat ze kan doen. De boer hoort de oude vrouw zuchten. Bijna was hij haar vergeten door de spanning, maar nu weet hij het weer. Natuurlijk, dat ouwe mensje dat hij moest oppikken langs de kant van de weg! Eigenlijk is het haar schuld dat ze nu door de wolven worden overvallen. Háár schuld, dat ze tijd zijn kwijtgeraakt. Háár schuld, dat het paard nu langzamer loopt. Het beest is al oud en heeft nu op de terugweg een dubbele vracht. Waarom is hij ook zo dom geweest!? Waarom heeft hij al die kostbare minuten verknoeid?!&#8221;<br />
Vort Bles! Vort! Ik sla je met de zweep! Ik ransel je&#8230;. Ik móet thuiskomen!&#8221;<br />
Dáár, alweer de wolven. En weer dichterbij! In het dichte onderhout beginnen bevroren takken te kraken. Vurige ogen glinsteren groenachtig tussen de stammen, open bekken, tongen hangen naar buiten. &#8220;Vort dan toch Bles, vort! Het gaat om ons leven!&#8221; Een zweepslag knalt door de koude lucht. Maar &#8216;t was niet nodig geweest. Het paard heeft de doodsvijand al geroken. Met wijd open gesperde neusgaten en rollende ogen rent het voorwaarts, trillend over zijn hele lijf. Zo heeft de boer nog nooit een paard zien lopen. Wat kan er nog gedaan worden om het leven te redden? &#8220;De pakjes!&#8221; roept de boer tegen de oude vrouw. Zijn stem is schor van ellende. &#8220;Haal de pakjes uit de ton! Gooi ze één voor één naar de wolven. Misschien houdt het ze tegen. &#8216;t Kan ons redden!&#8221;<br />
&#8220;Ja baas, ja, ik zal het doen baas.&#8221; Haar bevende handen voelen al in de ton. Een groot vierkant pak&#8230;&#8230;&#8230;.. &#8216;t Rammelt.<br />
De blokkendoos, weet de boer. Daar gaat het pak al, midden tussen de wolven. Die blijven staan&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;.verdringen elkaar&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;.Ze ruiken de mensenlucht en scheuren woest het papier uit elkaar. Ze zetten hun sterke roofdiertanden erin, maar&#8230;&#8230;. &#8216;t Is bedrog! En verder holt de hongerige troep&#8230;&#8230;..de warme lucht van mensen en een paard in de neus&#8230;&#8230;.. Ze naderen dichter en brutaler dan zo-even. Een tweede pak vliegt uit de slee&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;.daarna een derde&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;een vierde. Speelgoed, een brood, koek, kerstboomkaarsen&#8230;&#8230;&#8230;.. Ieder pakje geeft een kans op redding.</p>
<p>&#8220;Vort Bles! Vort!&#8221; Wat is dat bos eindeloos groot! Stille, droeve bomen in eindeloze rijen. Takken die doorbuigen onder de sneeuw. Wintermist tussen de stammen. O, wat zijn vrouw en kinderen ver weg! En Bles wordt zo moe met zijn dubbele vracht. Brutaler en brutaler worden de wolven. &#8216;t Is net of ze merken, dat het paard moe wordt. Hun bekken hangen open&#8230;.hun ogen blikkeren&#8230;&#8230;&#8230;hun keel stoot hijgende geluiden uit&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;.Het is of ze weten, dat ze het gevecht zullen winnen.<br />
Een dubbele vracht! De man moet er steeds aan denken. &#8216;t Hamert in zijn gloeiende kop. Een dubbele vracht&#8230;&#8230;&#8230;&#8230; een dubbele vracht&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;Het is haar schuld&#8230;&#8230;&#8230;haar schuld. Als ik niet had hoeven terug te rijden&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;..haar schuld&#8230;&#8230;&#8230;haar schuld.<br />
Plotseling komt er een vreemd gedachte bij hem op. Een gedachte om koud van te worden, maar toch&#8230;&#8230;&#8230;&#8230; de gedachte laat hem niet los: Ik gooi dat wijf eraf! Laten de wolven haar opvreten! In de tijd dat ze met haar oude botten bezig zijn ben ik gered. Zij heeft niemand meer op de wereld! Ik heb vrouw en kinderen! Ze wachten op me. Ik moet thuis kerstfeest vieren!&#8230;&#8230;&#8230;Kerstfeest vieren?! Jij?! Wou jij thuis kerstfeest vieren?!<br />
Als je eerst een arm oud mens hebt vermoord? &#8220;Nee, nee! schreeuwt de man plotseling het bos in. &#8220;Nee, nee, nee!!&#8221;</p>
<p>Maar de wolven komen steeds dichterbij. En er zijn er zoveel. En de ton is leeg, tot op de boden. Ja, juist&#8230;&#8230;. de ton is leeg. Sneller dan de wolven schieten de gedachten door het hoofd van de boer. Alle slechte gedachten zijn nu verdwenen. Hij denkt in zichzelf: &#8220;Ik moet het doen, maar&#8230;&#8230;&#8230;.. het is zo moeilijk!&#8221; Nu zitten de wolven vlak achter de slee. Eén van de ondieren waagt een sprong, maar schrikt nog terug. Anderen wijken opzij af&#8230;&#8230;&#8230;&#8230; Ze willen ons omsingelen, denkt de man vaag, dat is de manier van die gluiperds. &#8220;Neem de teugels, &#8221; zegt hij plotseling tegen de oude vrouw, &#8220;Hier, hou stijf vast! Bles weet de weg.&#8221;<br />
&#8220;Baas, baas,&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;..wat ga je nou beginnen? De man luistert niet meer. Hij staat rechtop in zijn slee. Nu neemt hij de lege ton en slingert hem met zijn sterke armen eruit&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;&#8230; op de weg&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;.. Dan springt hij zelf uit de slee, grijpt de ton, kruipt erin en zet de ton over zich heen. &#8216;t Gaat zo snel&#8230;.! De wolven zijn even teruggedeinsd, voor een ogenblik. Nu echter ruiken ze de warme mensenlucht binnen in de ton. Ze verdringen elkaar, ze krabbelen en snuiven en janken van de honger. Binnen in zijn donkere gevangenis hoort de man de dieren bezig; hij ruikt hun adem door de duigen heen. In doodsangst klemt hij de wanden van de ton tegen de grond. Zijn handen bloeden ervan. Wat hindert het! Als hij maar het leven eraf mag brengen. Laat me veilig thuiskomen, denkt hij. Laat er een wonder gebeuren!<br />
Hoog boven hem ruisen de dennenbomen in de avondwind die van de bergen komt. Zware kluiten sneeuw vallen omlaag; op de ton, op de wolven. Die schrikken even, rennen weg, maar komen al gauw weer terug. Het gekrabbel en gesnuif begint opnieuw&#8230;&#8230;&#8230;.. steeds ongeduldiger raast de bende om de ton. &#8220;O, laat me toch veilig thuiskomen!&#8221;</p>
<p>&#8216;t Paard is inmiddels op hol geslagen. &#8216;t Loopt zoals het nog nooit gelopen heeft. Met vier benen tegelijk springt het op van de grond; de slee schudt en bonkt achter hem aan, het paard merkt het niet. Een poosje nog klemt de oude vrouw in doodsangst haar magere handen om de teugels. Dan kan ze niet meer. De teugels glippen haar uit de handen. Ze zakt ineen op haar bank en valt flauw. De spanning is teveel voor haar geweest. Ze merkt er niets van dat de slee het open veld bereikt. Ze voelt niets van de winterse wind, die scherper dan eerst om haar oren fluit. Ze voelt niet dat haar hoofd heen en weer bonkt tegen de harde bank. Ze weet niet meer van de boer, die voor háár van de slee sprong.<br />
De slee met zijn vreemde last nadert het dorp&#8230;&#8230;&#8230;&#8230; het paard rent maar door.</p>
<p>In het dorp staat de moeder met haar vier kinderen midden op de weg. Bezorgd kijkt ze naar de lucht, die sneeuwstorm voorspelt. Dan tuurt ze weer in de richting van het bos, dat een donkere blauwzwarte muur lijkt. Een buurman heeft haar gewaarschuwd; er zijn wolvensporen gevonden&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;.een paar dagen geleden&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;..Ver weg&#8230;&#8230;&#8230;.zeker&#8230;&#8230;&#8230;..maar wolven zijn zo vlug en de streng winter heeft ze hongerig en wreed gemaakt.<br />
&#8220;Komt vader nog niet, moeder?&#8221;, vraagt het kleine meisje. &#8220;Nee liefje, nog niet. Maar straks hoor! Straks komt vader thuis met de slee!&#8221; &#8220;En dan gaan we kerstfeest vieren,&#8221; zegt Arndt. &#8220;Fijn joh, alle kaarsjes aan&#8230;&#8230;&#8230;&#8230; en dan zingen en koek eten&#8230;&#8230;&#8230;hè moeder?&#8221; &#8220;Zingen?&#8221; denkt de vrouw wanhopig, &#8220;en kerstfeest vieren?&#8221;<br />
&#8216;t Is allemaal zo ver weg&#8230;&#8230;&#8230;&#8230; ze is bezorgd om haar man&#8230;&#8230;&#8230;..om de wolven&#8230;&#8230;&#8230;om het donker en de sneeuwstorm. Er is gevaar!<br />
O, zeker er is gevaar. Ze voelt het duidelijk. Ze wringt haar handen. &#8220;Daar, daar!&#8221;Daar komt de slee. &#8220;Moeder, kijk dan, daar komt vader! Zie die oude Bles eens draven!&#8221;<br />
Het lijkt de moeder een wonder. &#8216;t Is alsof de zon door de wolken breekt. &#8220;Vader, vader!&#8221; juichen de kinderen. Ze steken hun handen op en dansen van plezier. Daar is bles al. Daar staat hij stil. &#8216;t Schuim druipt hem van zijn bek. Zijn ogen draaien wild en hij beeft over al zijn leden. &#8220;Vader! Vader!&#8221; Maar&#8230;&#8230;&#8230;in plaats van een grote sterke vader zit daar een oude, gebogen vrouw in de slee. Een arm, oud stukje mens, dat nu met grote moeite de ogen opslaat en verward rondkijkt. Moeder schudt het oude vrouwtje ruw bij de arm. De buren komen naar buiten en dringen om de slee, vragen wat er toch is.<br />
&#8220;Vertel op! Wat is er met mijn man gebeurd? Mens zeg dan toch wat! Je kunt toch zeker wel praten?&#8221; Bevend en onverstaanbaar haast komen de woorden: &#8220;Je man&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;ginds in het bos&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;..in de ton&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;de wolven&#8230;&#8230;&#8230;.de wolven&#8230;&#8230;&#8230;&#8221;</p>
<p>Dan zakt het oude vrouwtje terug, bewusteloos. De inspanning is teveel voor haar geweest. Een paar buurvrouwen tillen haar uit de slee, nemen haar, zoetjes pratend, mee in huis. Maar de moeder weet al genoeg. Ze stuurt de jongens met kleine Antje naar binnen. Ze ziet hoe de buren weghollen om hun geweren te halen en ook harken, schoffels en knuppels. Ze ziet hoe flink Arndt het vermoeide paard uitspant en het naar de stal brengt. Hij legt een deken over de bezwete rug van Bles en komt dan weer naast zijn moeder staan. Ze huilt niet maar haar ogen branden. Misschien merkt ze niet eens dat haar jongen vlak naast haar staat. Ze wringt in haar handen. Heel stil staat Arndt naast zijn moeder. Hij begrijpt al zo veel. Hij begrijpt dat zijn vader iets heel dappers heeft gedaan. Iets, dat hem misschien wel het leven kost!</p>
<p>De mannen hebben één van hun uitgeruste paarden voor de slee gespannen en zijn in vliegende vaart weggereden, het donkere bos tegemoet. Kleiner en kleiner worden ze&#8230;&#8230;&#8230;; nu verdwijnen ze in een wolk van sneeuw. &#8216;t Wachten duurt lang als het gaat om dood of leven. Medelijdende buurvrouwen komen naar buiten en proberen haar te troosten.<br />
Moeder schudt haar hoofd. Niets zeggen&#8230;&#8230;&#8230;. niets zeggen nu! Alleen maar stil zijn en wachten&#8230;&#8230;..en hopen op redding.</p>
<p>En eindelijk&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;ja&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;&#8230;..er gebeuren nog wel wonderen! Eindelijk komt de slee weer aangereden. Handen zwaaien. &#8220;Ho, peerd, sta!&#8221; Dan stapt de boer uit; wankelend, gewond en doodvermoeid, maar hij is er toch! Hij leeft! Gelukkig!<br />
&#8220;Vader! Vader!&#8221; roepen de kinderen weer.<br />
En nu is vader er werkelijk. Hij glimlacht vermoeid.</p>
<p>Díe dag niet meer, maar de vólgende zitten ze allemaal om de kerstboom. Een paar kaarsjes steken er in: overgebleven van verleden jaar, armzalige stompjes, die nog geen half uur zullen branden. De mooie nieuwe liggen ergens in het sneeuwbos&#8230;&#8230;.of in een wolvenmaag.<br />
Maar&#8230;.. aan wolven wordt nu niet meer gedacht.<br />
Cadeautjes zijn er nu ook niet en het middagmaal was een eenvoudige stamppot. Maar, ook al ontbreekt aan dit feest van alles, een gelukkiger kerstfeest dan dit hebben ze nog nooit gevierd!</p>
<p>EINDE</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.kerst-feest.nl/wolven-in-de-kerstnacht/feed</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Een kind van vlees en bloed</title>
		<link>http://www.kerst-feest.nl/een-kind-van-vlees-en-bloed</link>
		<comments>http://www.kerst-feest.nl/een-kind-van-vlees-en-bloed#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 11 Oct 2006 13:09:13 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[Kerst verhalen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.kerst-feest.nl/een-kind-van-vlees-en-bloed</guid>
		<description><![CDATA[door Koos Meinderts
Jos en Maartje staan met treurige gezichten naar de kerststal te kijken. De nachtmis is afgelopen en de kersverse koster heeft zojuist het Kindje in de kribbe gelegd. Hoe durft hij! Opa hoort de kerststal in te richten. Opa is de echte koster. Opa legt Jezus niet scheef op het stro! Die nieuwe [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>door Koos Meinderts</p>
<p>Jos en Maartje staan met treurige gezichten naar de kerststal te kijken. De nachtmis is afgelopen en de kersverse koster heeft zojuist het Kindje in de kribbe gelegd. Hoe durft hij! Opa hoort de kerststal in te richten. Opa is de echte koster. Opa legt Jezus niet scheef op het stro! Die nieuwe doet maar wat. Moet je kijken waar hij de os heeft neergezet. Wel een kilometer van het Kindje vandaan. Hoe moet hij Jezus nu warm houden met zijn adem. Straks vriest Jezus nog dood! Kan die nieuwe wat schelen. Die gelooft het allemaal wel. Nee, dan opa. Als opa het Kindje in de kribbe legt, dan lijkt het alsof hij echt een kind vasthoudt. Een kind van vlees en bloed.<br />
Maar ja, opa is geen koster meer. Opa is ziek en ligt in het verpleegtehuis. Te wachten op, ja op wat eigenlijk of op wie? &#8216;Opa is in de war,&#8217; zegt moeder.<br />
&#8216;Opa weet niet meer wat hij zegt,&#8217; zegt vader.<br />
&#8216;Opa hoort bij kerstmis,&#8217; zeggen Jos en Maartje.<br />
Vader en moeder hadden opa best voor een nachtje uit het verpleegtehuis kunnen halen.<br />
Jos en Maartje hadden de rolstoel wel geduwd. Dan zouden ze opa naar de kerststal hebben gereden en hem eventjes hebben laten zien wat voor een rommeltje de nieuwe koster ervan had gemaakt. Opa zou opstaan uit zijn rolstoel, de kerststal instappen en de beeldengroep neerzetten zoals het hoort. De os met zijn warme adem vlak bij het Kindje en het Kindje zelf netjes bedekt met wat stro in het midden van de kribbe.<br />
&#8216;Jos! Maartje!&#8217; roept moeder.<br />
&#8216;Gaan jullie mee?&#8217; &#8216;Gaan jullie maar vast,&#8217; zegt Jos.<br />
&#8216;Wij komen zo!&#8217;<br />
&#8216;Ik kan jullie toch niet alleen naar huis laten gaan?&#8217; zegt moeder.<br />
&#8216;Midden in de nacht!&#8217; &#8216;Ga nou maar,&#8217; zegt Jos.<br />
&#8216;Ik weet heus de weg wel.&#8217; &#8216;Als je belooft heel goed op je zusje te passen,&#8217; zegt moeder.<br />
&#8216;Zusje?&#8217; zegt Maartje.<br />
&#8216;Zus, zal je bedoelen. Ik ben geen klein kind meer! Ik ben al zes.&#8217; &#8216;En ik ben negen,&#8217; zegt Jos.<br />
&#8216;Samen zijn we vijftien.&#8217; &#8216;Gaan jullie nou maar!&#8217; Vader haakt zijn arm om die van moeder.<br />
&#8216;Tot zo,&#8217; zegt hij tegen Jos en Maartje. Hij trekt moeder zachtjes mee en samen gaan ze op weg naar huis.</p>
<p>&#8216;Ik krijg het koud,&#8217; zegt Maartje na een tijdje.<br />
&#8216;Nog even,&#8217; zegt Jos. Hij heeft een plannetje. Als straks iedereen naar huis is en zij alleen met zijn tweeën over zijn, zal hij eens laten zien dat hij de kleinzoon is van een echte koster. En Maartje moet hem daarbij helpen. Zij gaat op de uitkijk staan en dan stapt hij de kerststal in. Stiekem. Dan zal hij de beelden eens neerzetten zoals het hoort.&#8217;Nog even geduld, Jezus,&#8217; fluistert Jos.<br />
&#8216;Je hebt het zo weer warm.&#8217;<br />
Jos schrikt van zichzelf. Hij zei &#8216;je&#8217;. Tegen Jezus! En hij had natuurlijk &#8216;U&#8217; moeten zeggen. Met een hoofdletter! Hoewel, doe je dat eigenlijk wel, &#8216;U&#8217; zeggen tegen een pasgeboren kind? Jos kon zich niet voorstellen dat Maria Jezus aansprak met &#8216;U&#8217;. Haar eigen kind. Dat ze bijvoorbeeld &#8217;s avonds onder het eten tegen hem zou zeggen: &#8216;U eet uw hele bord leeg, Jezus, anders krijgt u straks geen toetje.&#8217; &#8216;Ik wil naar huis,&#8217; zegt Maartje.<br />
&#8216;We staan hier helemaal alleen.&#8217; &#8216;Mooi,&#8217; zegt Jos en hij legt zijn plannetje uit.<br />
&#8216;Dus als er iemand aankomt,&#8217; zegt hij, &#8216;zing je een liedje.&#8217; &#8216;Wat voor liedje?&#8217; vraagt Maartje.<br />
&#8216;Een Sinterklaasliedje, is het nou goed.&#8217; &#8216;Kan ik niet beter &#8220;Stille Nacht&#8221; zingen?&#8217;<br />
&#8216;Hoe verzin je het,&#8217; zegt Jos en hij stapt de stal in. Hij zet de kameel een eindje naar achteren, hangt de engel recht, draait een schaap met zijn kop naar de kribbe en schuift de os vlak boven het gezicht van het kindje Jezus.<br />
&#8216;Stihille Nacht,&#8217; begint Maartje plotseling te zingen. Snel duikt Jos weg achter de ezel.<br />
&#8216;Heilige nacht,&#8217; zingt Maartje.<br />
&#8216;Alles slaapt, sluimert zacht.&#8217; Voorzichtig kijkt Jos tussen de poten van de ezel door. Maartje houdt op met zingen.<br />
&#8216;Kom maar te voorschijn, hoor,&#8217; roept ze.<br />
&#8216;D&#8217;r is niemand. Ik probeerde alleen maar of ik de wijs nog wist.&#8217;<br />
Jos heeft moeite om niet te vloeken. Monkelend trekt hij zich op aan de nek van de ezel en met een gezicht van zeven dagen onweer loopt hij naar de kribbe. Hij buigt zich voorover en tilt vol eerbied het kindje Jezus op.<br />
&#8216;De koster!&#8217; roept Maartje.<br />
&#8216;Echt waar. Stihille Nacht. Hij komt deze kant op! Heilige Nacht!&#8217;<br />
Snel legt Jos het kindje Jezus terug. Te snel, want hij stoot met het beeldje tegen de rand van de kribbe.<br />
&#8216;Jezus!&#8217; fluistert Jos.<br />
&#8216;Je arm&#8230; Uw arm.&#8217; Wat nou?<br />
Verschrikt kijkt Jos naar het Kindje Jezus. Zijn rechterarmpje is gebroken en ligt los naast het lichaam.<br />
&#8216;Johos!&#8217; roept Maartje.<br />
&#8216;Kom nou. Snel! De koster! De koster!&#8217;<br />
Even overweegt Jos het gebroken armpje te bedekken met stro, maar dan, bliksemsnel, pakt hij het armpje en het Kindje Jezus op en rent hij de stal uit.<br />
&#8216;Wegwezen,&#8217; roept Jos en trekt Maartje mee.<br />
&#8216;Rennen!&#8217; &#8216;We lopen de verkeerde kant op,&#8217; zegt Maartje.<br />
&#8216;We gaan niet naar huis,&#8217; zegt Jos.<br />
&#8216;<br />
We gaan naar opa. Opa is de enige die ons kan helpen.&#8217;</p>
<p>Jos en Maartje lopen zwijgend naast elkaar door de kerstnacht. Op weg naar het verpleegtehuis waar opa ligt.<br />
Jos weet de weg, zegt hij. Maartje gelooft hem maar half. Het is maar twintig minuten lopen, heeft hij gezegd. Nou, dan wil zij weleens weten hoe lang twintig minuten duurt bij Jos. Een half uur zeker. Echt opschieten kunnen ze ook niet. Met het kindje Jezus onhandig maar goed verstopt onder haar warme winterjas.<br />
Jos houdt het gebroken armpje beet, vastgeklemd in zijn hand die hij diep in zijn jaszak heeft weggestoken. Af en toe blijft hij staan en kijkt hij om zich heen, op zoek naar iets bekends, een gevel van een huis of een winkel en loopt dan weer door. Steeds vaker op goed geluk.<br />
&#8216;Wanneer zijn we er nou?&#8217; vraagt Maartje.<br />
&#8216;Het moet hier vlakbij zijn,&#8217; zegt Jos.<br />
&#8216;Dat zei je net ook,&#8217; zegt Maartje.<br />
&#8216;Ik ben moe.&#8217;<br />
Midden op de stoep blijft ze staan en hijst het kindje Jezus ietsjes omhoog.<br />
Jos is ook blijven staan. Hij zegt niets, maar dat is ook niet nodig want Maartje begrijpt hem zo ook wel. Ze zijn verdwaald!<br />
&#8216;We vragen het daar, in dat café,&#8217; zegt Maartje en voordat Jos kan protesteren opent ze de deur van café-restaurant De Herberg. Op de drempel blijft ze staan.<br />
Jos is haar gevolgd en houdt haar hand vast.<br />
&#8216;Hallo!&#8217; roept Maartje dwars door de keiharde cafémuziek.<br />
&#8216;Hallo!&#8217;<br />
Eindelijk heeft iemand haar gehoord. Een dikke kerel op de hoek van de bar. Verbaasd kijkt hij naar Jos en Maartje, geeft vervolgens de barman een knipoog en loopt dan naar een tafeltje tegen de muur waar een sjofel geklede man ligt te slapen. Met zijn hoofd op tafel, omringd door lege en halflege bierglazen.<br />
&#8216;Kobus!&#8217; roept de dikke kerel.<br />
&#8216;Wakker worden! Je moet thuis komen.<br />
Je kinderen komen je halen!&#8217;</p>
<p>Kobus opent zijn ogen, hijst zich moeizaam overeind en maait daarbij een stuk of wat glazen van tafel. De dikke kerel begint te zingen: &#8216;Ach vaderlief, toe drink niet meer!&#8217;<br />
Meteen begint de barman mee te zingen, onmiddellijk gevolgd door de rest van de klanten. Kobus staat inmiddels te wankelen op zijn benen. Hij strekt zijn handen uit in de richting van Maartje en Jos en mompelt iets onverstaanbaars.<br />
Iedereen in het café begint te lachen.<br />
Jos en Maartje kijken met ogen vol schrik naar de lachende en grijnzende gezichten en als Kobus aanstalten maakt naar hen toe te komen, vluchten ze het café uit, de straat op.</p>
<p>Even later zitten Jos en Maartje als twee kouwelijke vogeltjes ineengedoken naast elkaar op een bankje. Maartje met het kindje Jezus onder haar jas en Jos met het gebroken armpje in zijn zak. Hopeloos verdwaald in de kerstnacht.<br />
&#8216;Laten we maar naar huis gaan,&#8217; zegt Jos, maar tegelijkertijd beseft hij hoe stom die opmerking klinkt. Hij zou niet weten hoe ze moeten lopen.<br />
&#8216;We gaan naar de politie!&#8217; zegt Maartje. De politie kan ons helpen.<br />
&#8216;En als ze dan zien wat we bij ons hebben?&#8217; zegt Jos.<br />
&#8216;Dan kunnen we meteen de gevangenis in.&#8217;<br />
&#8216;We hebben het kindje Jezus toch niet gepikt,&#8217; zegt Maartje.<br />
&#8216;Dat zeggen ze allemaal,&#8217; zegt Jos.<br />
&#8216;Ik hoor het ze zeggen.&#8217;<br />
Hij staat op en dan ineens begint hij te stralen.<br />
&#8216;Maartje, kijk dan daar!&#8217; zegt hij en hij wijst met zijn vinger.<br />
&#8216;Daar, dat licht! Die ster!&#8217; Maartje kijkt waar Jos naar wijst.<br />
&#8216;Een ster!&#8217; roept ze.<br />
&#8216;Van Mercedes-Benz!&#8217; roept Jos.<br />
&#8216;Die staat op dat hoge flatgebouw tegenover het verpleegtehuis. Waar opa ligt. Kom mee, we hebben het gevonden!&#8217;<br />
Meteen is hun moeheid verdwenen en zonder de lichtreclame van Mercedes-Benz ook maar een ogenblik uit het oog te verliezen, lopen Jos en Maartje recht op het verpleegtehuis af. Ze waren vlakbij. Binnen tien minuten staan ze voor de deur. Helaas, de deur is dicht. Wat nu? denkt Jos, maar Maartje belt brutaalweg aan. Even later doet de nachtportier open.<br />
&#8216;Wat komen jullie doen?&#8217; vraagt de portier.<br />
&#8216;Onze opa vrolijk kerstfeest wensen,&#8217; zegt Maartje.<br />
&#8216;Midden in de nacht? En waar zijn jullie ouders?&#8217; Jos begint te stotteren.<br />
&#8216;Die komen zo,&#8217; zegt Maartje snel.<br />
&#8216;Die zoeken een parkeerplaatsje.&#8217; De portier kijkt over hun schouders de straat in.<br />
&#8216;Kunnen wij alvast doorlopen?&#8217; vraagt Maartje.<br />
Jos ziet de portier aarzelen.<br />
&#8216;O ja, nog een gelukkig kerstfeest, meneer,&#8217; zegt hij beleefd.<br />
&#8216;Lopen dan maar,&#8217; zegt de portier en voor hij zich kan bedenken, glippen Jos en Maartje langs hem naar binnen. Opa heeft een kamer op de begane grond. De laatste deur aan het eind van de gang.<br />
Jos vergeet bijna te kloppen, zo graag wil hij opa zien.<br />
&#8216;Ja,&#8217; horen ze opa zeggen.<br />
Maartje opent de deur. Het is donker. Opa ligt in bed.<br />
&#8216;Bent u het?&#8217; vraagt opa.<br />
&#8216;Ik heb op u gewacht.&#8217; Jos en Maartje kijken elkaar aan.<br />
&#8216;Opa is in de war,&#8217; fluistert Jos.<br />
&#8216;Hij weet niet wat hij zegt.&#8217; &#8216;Wij zijn het, opa, Jos en Maartje.&#8217;<br />
Opa schuift het gordijn een eindje opzij. De kamer licht op in het blauwe schijnsel van de buitenreclame, de ster die hen de weg naar opa heeft gewezen.<br />
Jos en Maartje schuifelen de kamer in. Bij het bed haalt Maartje het kindje Jezus onder haar jas vandaan.<br />
&#8216;Dit hoort er ook nog bij,&#8217; zegt Jos een beetje schaapachtig en hij haalt het gebroken armpje te voorschijn.<br />
&#8216;Kunt u het nog maken, opa?&#8217; vraagt hij.</p>
<p>Opa pakt het kindje Jezus in zijn armen.<br />
Precies zoals hij het elk jaar vasthield om in de kribbe te leggen.<br />
Alsof het een echt kind is.<br />
Van vlees en bloed.<br />
&#8216;Ik heb op u gewacht,&#8217; zegt hij.</p>
<p>EINDE</p>
<p>Bron van deze versie:<br />
FeestVerhalen verhalen rond feesten van verschillend culturen. Jos van Hest en Saskia van der Valk. Gottmer/ Jantje Beton 1996</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.kerst-feest.nl/een-kind-van-vlees-en-bloed/feed</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>De maaltijd in hemel en hel</title>
		<link>http://www.kerst-feest.nl/de-maaltijd-in-hemel-en-hel</link>
		<comments>http://www.kerst-feest.nl/de-maaltijd-in-hemel-en-hel#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 11 Oct 2006 13:08:49 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[Kerst verhalen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.kerst-feest.nl/de-maaltijd-in-hemel-en-hel</guid>
		<description><![CDATA[door Jaap Westerbos (bewerker)
Een man verbaasde zich al sinds zijn jeugd over de dingen die de mensen elkaar vertelden over de hemel en de hel. Zo hoorde hij hen zeggen dat de hemel een goede plaats was en de hel een slecht oord. De hemel zat barstensvol engelen en heiligen, terwijl de hel overbevolkt was [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>door Jaap Westerbos (bewerker)</p>
<p>Een man verbaasde zich al sinds zijn jeugd over de dingen die de mensen elkaar vertelden over de hemel en de hel. Zo hoorde hij hen zeggen dat de hemel een goede plaats was en de hel een slecht oord. De hemel zat barstensvol engelen en heiligen, terwijl de hel overbevolkt was met duivels, kwade geesten en gemene lieden. De man wist niet goed wat hij hiermee moest. Volgens hem kon je slechts een oordeel over deze twee oorden hebben als je ze met eigen ogen had gezien.</p>
<p>Op een nacht werd hij gewekt door een engel die hem vroeg: &#8220;Ben je er nog altijd zo op gebrand om het verschil tussen hemel en hel te weten?&#8221; &#8211; &#8220;Ja,&#8221; antwoordde de man, &#8220;ik wil niets liever weten dan waar ik terechtkom als ik doodga.&#8221;</p>
<p>Hierop nam de engel hem bij de hand en samen vlogen ze door een dichte, eindeloze duisternis tot ze bij een gesloten poort aankwamen. De engel duwde de zware deur open en zei: &#8220;Dit is de hel. Houd je ogen goed open en zorg er voor dat je geen detail mist.&#8221;</p>
<p>De man was zeer verbaasd. Er was, zoals hij verwachtte, geen duivel te zien in de hel, noch saters met bokkenpoten of eeuwige vuren waarin mensen brandden. Al wat hij zag was een gigantische zaal vol eettafels en elke tafel was volgeladen met de verrukkelijkste gerechten, schalen met het sappigste fruit, hoog opgestapelde taarten, de beste wijnen en de zachtste kazen. Zo ver hij kon zien zag hij mensen aan deze beladen feesttafels zitten. In eerste instantie benijdde hij hen, tot zijn blik op hun armen viel. Toen pas merkte hij op dat hun armen vanaf hun schouders veranderd waren in vorken. En deze vorken waren zo lang dat, hoezeer de feestgangers er ook hun best voor deden, ze niet in staat waren het voedsel naar hun mond te brengen. Hun vruchteloze pogingen waren zo frustrerend dat ze paars zagen van woede, haat en honger.</p>
<p>De engel nam de man opnieuw bij de hand en leidde hem naar buiten. Voor de tweede keer vlogen ze door een dichte, koude duisternis, tot ze bij een andere poort aankwamen. De engel stopte, zwaaide de deur open en riep: &#8220;Mag ik je met vreugde presenteren: de hemel!&#8221;</p>
<p>In eerste instantie raakte de man in grote verwarring, want de hemel zag er exact hetzelfde uit als de hel! Het was precies dezelfde gigantische ruimte, en ook hier stonden lange eettafels, volgeladen met de meest exquise gerechten uit alle delen van de wereld. Zelfs de feestgangers zagen er identiek uit: ook bij hen waren de armen veranderd in onhandige, lange vorken. Even dacht de man dat de engel een flauwe grap met hem uithaalde, totdat hij nog eens goed keek en het verschil opmerkte. De mensen in de hemel waren niet kwaad of hongerig, integendeel, ze lachten allemaal en waren goed doorvoed. Want deze mensen gebruikten allemaal hun lange gevorkte armen om hun buren te voeden. Ze werkten samen, ze hielpen elkaar en deelden het fantastische eten, zodat ze allemaal in gelijke mate aten, dronken en plezier hadden.</p>
<p>EINDE</p>
<p>Bron van deze versie:<br />
Happinez, jaargang 2, nummer 6. Uitgave van Magazines vof, Baarn, 2004. www.happinez.nl</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.kerst-feest.nl/de-maaltijd-in-hemel-en-hel/feed</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>De goede dennenboom</title>
		<link>http://www.kerst-feest.nl/de-goede-dennenboom</link>
		<comments>http://www.kerst-feest.nl/de-goede-dennenboom#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 11 Oct 2006 13:08:22 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[Kerst verhalen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.kerst-feest.nl/de-goede-dennenboom</guid>
		<description><![CDATA[door Urbain Servranckx
URBANUS &#8211; DE GOEDE DENNENBOOM
In het dennenbos liep een man met een bijl en drie kleine kindertjes. De grote dennenbomen trokken zich van het viertal niet veel aan want zij wisten dat zij geen kwaad konden. De kleine dennenboompjes sidderden van angst als de man met de bijl dichterbij kwam. Ze trachten er [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>door Urbain Servranckx</p>
<p>URBANUS &#8211; DE GOEDE DENNENBOOM</p>
<p>In het dennenbos liep een man met een bijl en drie kleine kindertjes. De grote dennenbomen trokken zich van het viertal niet veel aan want zij wisten dat zij geen kwaad konden. De kleine dennenboompjes sidderden van angst als de man met de bijl dichterbij kwam. Ze trachten er allemaal zo onaantrekkelijk mogelijk uit te zien.</p>
<p>Al snel viel het oog van de kinderen op een prachtig boompje dat nog volop stond te pronken. &#8220;Deze hier is de mooiste!&#8221; riepen ze. Het was het domste boompje van het ganse dennenbos. Het kende het verschil nog niet tussen de lente en de winter en het begreep dan ook niet waarom al de andere boompjes zich zo lelijk maakten.</p>
<p>Vader duwde de kinderen eventjes opzij, spuwde in zijn handen en hief de bijl hoog in de lucht. Een iets oudere dennenboom die dit alles zag, kreeg zo&#8217;n medelijden met het domme boompje, dat hij zijn afhangende takken omhoog stak. Hij trok zoveel sap naar zijn kruin, dat zijn naalden glansden en fonkelden als kristal. Nu wuifde hij sierlijk met zijn takken om de aandacht van de kinderen op zich te vestigen. &#8220;Halt, vader, eigenlijk zouden wij liever deze hier willen&#8221;.&#8221;Zoals jullie wensen&#8221;, zij vader en de bijl hakte diep in de voet van de moedige boom. De drie kinderen namen hem onder de arm en lachend stapten ze weer naar huis.<br />
De boom schreeuwde het uit van pijn, maar de mensen luisteren niet goed genoeg om de boom te horen huilen.</p>
<p>Daar stond hij nu, in het midden van de huiskamer, overdekt met slingerende lichtjes, slingers en bollen. Helemaal bovenaan stak een zilveren bol met een lange punt. Er waren al rare vogels boven op zijn kop komen zitten, maar zoiets, nee.<br />
Beneden aan zijn voeten stond een stalletje en hij zag hoe de kinderen er allemaal plaasteren figuurtjes inzetten met overal kleine schaapjes er om heen.</p>
<p>&#8220;Zie mij hier nu staan&#8221;, mopperde de boom, &#8220;Ik ben blij dat de andere bomen mij niet zien, met al die belachelijke rommel aan mijn lijf&#8221;.</p>
<p>Zo stond hij daar week na week. Op zekere dag maakten de kinderen weer een drukte van belang om en rond het stalletje. &#8220;Wel verdraaid&#8221; dacht hij. &#8220;Nu komen er nog drie beeldjes bij, waarvoor dient dat toch allemaal&#8221;.</p>
<p>De dennenboom had al veel van zijn groene glans verloren en wanneer de kinderen eventjes aan zijn takken kwamen, voelde hij de dennennaaldjes overal langs zich heen naar beneden vallen.<br />
De dag daarna werd hij van al zijn versieringen ontdaan en al de plaasteren mannetjes werden in een papiertje gerold en in een doos gelegd.<br />
&#8220;Het is afgelopen&#8221;, zuchtte de boom, &#8220;Mij wacht de open haard, het is allemaal voor niets geweest.&#8221; Nu werd er ook een klein ventje in een strooien bakje uit het stalletje genomen en voor ook hij in het papiertje ging, knipoogde hij naar de boom en zij &#8220;ik weet wat je gedaan hebt en dat zal ik nooit vergeten.&#8221;</p>
<p>EINDE</p>
<p>Bron van deze versie:<br />
Tekstboek bij LP: 3 sprookjes van Urbanus 1977</p>
<p>Toelichting:</p>
<p>Urbanus (voorheen Urbanus van Anus) is de artiestennaam van Urbain Servranckx (geboren 7 juni 1949), een Belgisch komiek en zanger.</p>
<p>Vanaf begin jaren 70 stond Urbanus in de Belgische theaters met een begeleidingsgroep, Anus genaamd. Al snel ging hij solo de theaters in als Urbanus van Anus. In 1974 kwam zijn eerste LP uit, Leevend. Naar aanleiding van zijn theatersuccessen werd hij door de BRT gevraagd een komische act te verzorgen. Urbanus&#8217; antwoord hierop was: &#8220;Nu gaan zelfs de blinden mij herkennen&#8221;. Na België was Nederland aan de beurt, en Urbanus trad in Nederlandse theaters op vanaf 1975. Hij bleef platen maken, waarvan er diverse goud en platina werden.Ook had hij een enorm succes met zijn controversieel kerstlied &#8220;Een bakske vol met stro&#8221;. Er gingen meer dan 150.000 exemplaren van deze single over de toonbank.</p>
<p>Urbanus is ook de naam van de stripreeks, die vanaf 1984 startte. In deze strips worden de komische avonturen uit de fictieve jeugd van Urbanus van Anus uit de doeken gedaan. De stripverhalen worden door Urbanus tezamen met tekenaar Willy Linthout gemaakt.</p>
<p>In oktober van 1987 kwam Urbanus met zijn eerste film Hector uit, geregisseerd door Stijn Coninx. Deze regisseerde ook z&#8217;n tweede film Koko Flanel uit 1990. In 1993 regisseerde Jean-Paul Lilienfeld De zevende hemel.<br />
Bron van de toelichting: Wikipedia</p>
<p>Op de fansite van Urbanus wordt regelmatig een verhaal van Urbanus geplaatst. Zie:www.urbanus.be<br />
Luister en zie ook Ik hou niet van Madammen met &#8216;n bontjas.</p>
<p>Samenvatting:<br />
Een oudere denneboom beschermt in het bos een klein dom boompje dat niet snapt dat je je lelijk moet maken zodat je niet wordt omgehakt voor het kerstfeest.<br />
Een grappig verhaal en cultuursprookje uit België voor kinderen vanaf 6 jaar.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.kerst-feest.nl/de-goede-dennenboom/feed</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Kerstspoken</title>
		<link>http://www.kerst-feest.nl/kerstspoken</link>
		<comments>http://www.kerst-feest.nl/kerstspoken#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 11 Oct 2006 13:07:50 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[Kerst verhalen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.kerst-feest.nl/kerstspoken</guid>
		<description><![CDATA[door Maxim Gorki
Ik was klaar met het schrijven van mijn kerstverhaal. Ik wierp mijn pen neer, stond op van mijn lessenaar, en begon op en neer te lopen in mijn kamer.
Het was nacht en buiten gierde de sneeuwstorm. Ik hoorde vreemde geluiden, het leek wel een zacht gefluister of zuchten dat van de straat binnendrong [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>door Maxim Gorki</p>
<p>Ik was klaar met het schrijven van mijn kerstverhaal. Ik wierp mijn pen neer, stond op van mijn lessenaar, en begon op en neer te lopen in mijn kamer.</p>
<p>Het was nacht en buiten gierde de sneeuwstorm. Ik hoorde vreemde geluiden, het leek wel een zacht gefluister of zuchten dat van de straat binnendrong door de muren van mijn kleine kamertje, dat voor driekwart gehuld was in duistere schaduwen.<br />
Het was de door de wind opgejaagde sneeuw, die langs de muren schuurde en tegen de ruiten sloeg.</p>
<p>Een licht, wit, vreemd voorwerp vloog voorbij mijn venster en verdween; er ging een koude huivering door mij heen. Ik liep naar het raam, keek op straat, en legde mijn door het werken warm geworden hoofd tegen het koele hout.<br />
De straat was verlaten en stil. Nu en dan nam de wind kleine doorzichtige sneeuwwolkjes op van het plaveisel en joeg ze door de lucht als draadjes van een teer weefsel.Voor mijn venster brandde een lantaarn. Zijn vlam voerde trillend en bevend een hevig gevecht met de wind.<br />
Het flakkerende licht viel als een slagzwaard in de duisternis en de sneeuw die van het dak van het huis in het schijnsel viel, lichtte een ogenblik op als een gewaad van vonken. Mijn hart werd droevig en koud, toen ik dit spel van de wind bekeek. Ik kleedde me vlug uit, doofde de lamp en ging slapen.</p>
<p>Toen het licht uit was en de duisternis mijn kamer vulde, werden de geluiden duidelijker en het raam staarde mij aan als een grote witte vlek.<br />
Het onophoudelijke getik van de klok gaf het voorbijgaan van de seconden aan. Soms ging hun snelle gang verloren in het gehijg en gezoef van de sneeuw, maar spoedig hoorde ik weer het tikken van de seconden op hun weg naar de eeuwigheid. Nu en dan was hun geluid duidelijk en precies, alsof de klok in mijn eigen hoofd stond.<br />
Ik lag in bed en dacht na over het verhaal dat ik juist voltooid had en ik vroeg mij af of het een succes was.</p>
<p>In dit verhaal vertelde ik over twee bedelaars, een blinde oude man en zijn vrouw, die stil en teruggetrokken een leven leidden dat hun niets dan angst en vernedering bracht. Op de ochtend voor Kerstmis hadden ze hun dorp verlaten om in de nabijgelegen nederzettingen aalmoezen te vragen om de volgende dag de geboorte van Christus feestelijk te kunnen vieren.<br />
Ze verwachtten de dorpen in de buurt te bezoeken en weer thuis te zijn voor de vroege ochtenddienst met hun manden vol gaven, die hun om Christus&#8217; wil waren uitgereikt.</p>
<p>Hun verwachtingen (zo vervolgde ik mijn verhaal) werden natuurlijk teleurgesteld. De gaven die ze ontvingen waren karig en het was heel laat toen het paar, vermoeid van de tocht van die dag, ten slotte besloot naar hun koude lemen hut terug te keren. Met een lichte last op hun schouders en een groot verdriet in hun hart, strompelden ze langzaam over de besneeuwde vlakte; de oude vrouw liep voorop, de oude man hield haar ceintuur vast en volgde haar.</p>
<p>Het was een donkere nacht, de lucht was bedekt met wolken en voor de twee oude mensen was het dorp nog veraf.<br />
Hun voeten zonken in de sneeuw, die door de wind werd opgejaagd en die in hun gezicht striemde. Zwijgend en rillend sleepten ze zich voort. Moe en verblind door de sneeuw, was de oude vrouw van de weg afgeraakt en nu liepen ze doelloos rond in het open veld. &#8216;Zijn we nu gauw thuis? Zorg dat we op tijd komen voor de vroegmis!&#8217; mompelde de blinde man achter de vermoeide schouders van zijn vrouw. Ze zei dat ze spoedig thuis zouden zijn en een nieuwe huivering van kou ging door haar heen. Ze wist dat ze de weg was kwijtgeraakt, maar dat durfde ze haar man niet te vertellen. Nu en dan leek het of de wind het geluid van hondengeblaf meevoerde, en dan liep ze de richting in waar dat geluid vandaan kwam. Maar al spoedig hoorde ze het geluid van de andere kant. Ten slotte begonnen de krachten haar te begeven.<br />
&#8216;Vergeef mij, vadertje, vergeef mij om Christus&#8217; wil. Ik ben van de weg afgedwaald en ik kan niet meer. Ik moet gaan zitten.&#8217; &#8216;Je zult doodvriezen&#8217;, antwoordde hij.<br />
&#8216;Laat me even uitrusten. En als we doodvriezen, wat dan nog? Het leven op aarde is echt niet prettig.&#8217;<br />
De oude man slaakte een diepe zucht en gaf toe.</p>
<p>Ze gingen in de sneeuw zitten met hun ruggen tegen elkaar en leken wel twee hoopjes vodden, een speelbal van de wind. Wolken sneeuw woeien tegen hen op, ze werden bedekt door scherpe puntige kristallen en de oude vrouw, die minder dik gekleed was dan haar man, voelde algauw een merkwaardige, aangenaam aandoende warmte.<br />
&#8216;Moeder!&#8217; roep de oude man, die rilde van de ijzige koude, &#8217;sta op, we moeten verder!&#8217;<br />
Maar ze was ingedommeld en mompelde slechts een paar onverstaanbare woorden in haar slaap.<br />
Hij probeerde haar te doen opstaan, maar had daartoe niet de kracht.<br />
&#8216;Je zult bevriezen!&#8217; schreeuwde hij en riep toen om hulp over het grote open veld.<br />
Maar ze voelde zo warm aan, zo behaaglijk! Na enige mislukte pogingen ging de man wanhopig in de sneeuw zitten.<br />
Hij was nu vast ervan overtuigd dat alles wat hem overkwam opzet was van God en dat er voor hem en zijn bejaarde vrouw geen uitweg meer was. De wind warrelde en danste uitgelaten om hen heen, bedekte hen speels met een laag sneeuw en speelde een vrolijk en guitig spel met de lompen die hun oude ledematen, die moe waren van een lang leven van armoede, bedekten. De oude man werd nu ook doorstroomd door een behaaglijk gevoel van warmte.<br />
Plotseling hoorde hij hoe de wind het mooie, plechtige en melodieuze geluid van kerkklokken meevoerde.<br />
&#8216;Moeder!&#8217; riep hij, &#8216;er wordt geluid voor de vroegmis. Vlug, laten we gaan!&#8217; Maar zij was reeds daar, waarvan geen terug meer is. &#8216;Hoor je? De klokken luiden, zeg ik je. Sta op! O, we komen vast te laat!&#8217; Hij probeerde op te staan, maar merkte dat hij zich niet bewegen kon.<br />
Toen begreep hij dat zijn einde nabij was en hij begon stil te bidden: &#8216;Heer, wees genadig voor de zielen van Uw dienaren! Wij waren beiden zondaren. Vergeef ons, o Heer! Wees barmhartig voor ons!&#8217;</p>
<p>Toen leek het alsof van over het veld in een lichte schitterende wolk van sneeuw een stralende tempel van God naar hem toegedreven kwam: een zeldzaam mooie, wonderbaarlijke tempel.<br />
Hij bestond helemaal uit vurige mensenharten en zelf had hij ook de vorm van een hart, en in het midden stond op een hoog voetstuk Christus in eigen persoon. Bij dit visioen stond de oude man op en knielde op de drempel van de tempel. Nogmaals zag hij hetzelfde droombeeld en hij keek naar de Redder en Zaligmaker. En van zijn hoge plaats sprak Christus met een vriendelijke melodieuze stem: &#8216;Harten die vervuld zijn van een vurig medelijden zijn de grondvesten van mijn tempel, u die in uw leven gesnakt hebt naar medelijden, die ongelukkig geweest bent en vernederd, treedt binnen in de Eeuwige Vrede!&#8217;<br />
&#8216;O Heer!&#8217; sprak de oude man, toen hij weer zien kon, en hij huilde opgewonden van vreugde, &#8216;U bent het werkelijk, Heer!&#8217;<br />
En Christus glimlachte welwillend naar de oude man en zijn levensgezellin, die weer tot leven gewekt was door de glimlach van de Heiland. En zo vroren de beide bedelaars dood in het open, besneeuwde veld.</p>
<p>Ik dacht na over de verschillende gebeurtenissen uit het verhaal en vroeg mij af of het vlot en roerend genoeg was om het medelijden van de lezer op te wekken.<br />
Het leek me dat ik die vraag bevestigend kon beantwoorden, dat het onmogelijk het door mij gewenste doel kon missen.<br />
Met deze gedachte viel ik in slaap en ik was tevreden met mezelf.<br />
De klok bleef maar tikken en in mijn slaap hoorde ik het gieren en brullen van de sneeuwstorm, die steeds heviger werd. De lantaarn woei uit. De storm buiten bracht steeds nieuwe geluiden voort. De luiken van de vensters rammelden. De takken van de boom die voor de deur stond sloegen tegen het metalen dak.<br />
Een gezucht, een gegrom, een gehuil, een gebrul en een gefluit weerklonk, en dit alles verenigde zich nu eens tot een droevige melodie, die het hart verdrietig maakte, dan weer tot een zacht wijsje als van een wiegeliedje.<br />
Het had de uitwerking van een fantastisch verhaal dat de ziel scheen te betoveren.</p>
<p>Maar plotseling, wat was dat?<br />
In het nauwelijks zichtbare venster werd een blauwachtig fosforiserend licht zichtbaar, en het venster zelf werd groter en groter, tot het ten slotte de afmetingen van de hele muur had aangenomen. In het blauwe licht dat de kamer vervulde, verscheen plotseling een dikke witte wolk, waarin helle vonken gloeiden als ontelbare ogen. Alsof de wind ermee speelde, draaide de wolk in &#8216;t rond, begon op te lossen, werd langzaam doorzichtig, viel uiteen in kleine stukjes en blies een ijzige koude in mijn lichaam, die mij angstig maakte. Iets als een ontevreden, nijdig gemompel steeg op uit de wolkenflarden, die zich steeds scherper aftekenden en vertrouwde vormen aannamen.<br />
Daar in de hoek was een troep kinderen, of liever, het waren de schaduwen van kinderen en daarachter verscheen een oude man met een grijze baard, die omgeven was door vrouwencontouren.<br />
Waar komen die schaduwen vandaan?<br />
Wat willen ze? waren de vragen die door mijn hoofd schoten, terwijl ik angstig naar deze verschijningen staarde.</p>
<p>&#8216;Waar we vandaan komen?&#8217; was het plechtige antwoord van een ernstige, barse stem. &#8216;Ken je ons niet? Denk eens na!&#8217;<br />
Zwijgend schudde ik mijn hoofd. Ik kende ze niet. Ze bleven door de lucht zweven in een ritmische beweging alsof ze een plechtige dans uitvoerden op het gezang van de storm.<br />
Half doorzichtig, en nauwelijks te onderscheiden, warrelden ze luchtig en geluidloos om mij heen, en plotseling zag ik in hun midden de blinde oude man, die de ceintuur van de bejaarde vrouw vasthield. Diep voorover gebogen strompelden ze me voorbij met een verwijtende blik in hun ogen.<br />
&#8216;Herken je ze nu?&#8217; vroeg dezelfde plechtige stem. Ik wist niet of het de stem van de storm was of de stem van mijn geweten, maar hij had een bevelende klank, die geen tegenspraak duldde.<br />
&#8216;Ja, dat zijn ze&#8217;, vervolgde de Stem, &#8216;de droevige helden van je succesvolle verhaal. En al die anderen zijn ook helden uit je kerstverhalen &#8211; kinderen, mannen en vrouwen, die je laat doodvriezen om je publiek te amuseren. Kijk eens hoeveel er zijn en hoe meelijwekkend ze er uitzien, de vruchten van je verbeelding!&#8217;<br />
Er kwam beweging in de onvaste vormen en twee kinderen, een jongen en een meisje, traden op de voorgrond. Ze leken op twee bloemen van sneeuw of op het schijnsel van de maan.<br />
&#8216;Deze kinderen&#8217;, sprak de Stem, &#8216;heb je laten doodvriezen onder het venster van het rijke huis, waarin de schitterende kerstboom straalde. Ze stonden te kijken naar de boom &#8211; herinner je het je? &#8211; en ze zijn bevroren.&#8217; Geluidloos zweefden mijn arme kleine helden langs mij heen en verdwenen. Ze schenen op te lossen in het blauwe, nevelachtige licht. In hun plaats verscheen een vrouw met een ongelukkig, uitgeteerd gezicht.<br />
&#8216;Dit is de arme vrouw die zich naar haar huis in het dorp haastte op kerstavond om haar kinderen een paar goedkope kerstcadeautjes te brengen. Ook haar heb je laten doodvriezen.&#8217;</p>
<p>Beschaamd en angstig staarde ik naar het gezicht van de vrouw. Ook zij verdween en in haar plaats kwamen nieuwe verschijningen. Ze waren allemaal droevige, zwijgende spookbeelden met een uitdrukking van onzegbaar leed in hun sombere blik.</p>
<p>En weer hoorde ik de plechtige Stem op duidelijke, onverstoorbare toon spreken: &#8216;Waarom heb je die verhalen geschreven? Is er niet genoeg werkelijk, tastbaar en zichtbaar leed in de wereld, dat jij beslist nog meer ellende en droefheid moet uitvinden en je verbeelding moet inspannen om nog wat opwindende en realistische verhalen neer te schrijven? Waarom doe je dat? Wat bedoel je ermee? Wil je de mensen al de vreugde in het leven ontnemen? Wil je hun het laatste restje vertrouwen in het goede ontnemen door hun alleen het kwaad te laten zien? Waarom laatje in je kerstverhalen jaar in jaar uit nu eens kinderen en dan weer volwassenen doodvriezen? Waarom? Wat heb je daarmee voor?&#8217;</p>
<p>Ik stond versteld van deze vreemde aanklacht. Iedereen schrijft kerstverhalen in dezelfde geest. Je neemt een arme jongen en een arm meisje, of iets dergelijks, en dan laatje ze doodvriezen onder een of ander venster, waarachter gewoonlijk een prachtige kerstboom staat, die zijn schitterende licht op hen afstraalt. Dat is mode geworden en ik heb die mode gevolgd&#8230; In die zin antwoordde ik. &#8216;Als ik die mensen laat doodvriezen&#8217;, zei ik, dan doe ik dat met de beste bedoelingen van de wereld. Door hun doodsstrijd te schilderen, wek ik menselijke gevoelens bij&#8221; het publiek op voor deze ongelukkigen. Ik wil het hart van mijn lezers ontroeren, dat is alles.&#8217;<br />
Er ging een vreemde opwinding door de menigte spookverschijningen, alsof ze spottend een protest tegen mijn woorden wilden aanheffen.</p>
<p>&#8216;Zie je hoe ze lachen?&#8217; zei de geheimzinnige Stem. &#8216;Waarom lachen ze?&#8217; vroeg ik nauwelijks hoorbaar.<br />
&#8216;Omdat je zulke onzin praat. Je wilt edele gevoelens in de harten van je lezers opwekken door de uitbeelding van de ellende, terwijl ze de werkelijke ellende dagelijks om zich heen zien. Bedenk eens hoe lang de mensen al geprobeerd hebben edele gevoelens wakker te roepen in het hart van andere mensen, bedenk eens hoeveel mensen voor jou hun genie daarop reeds gericht hebben en kijk dan eens naar het werkelijke leven. Idioot die je bent! Als de werkelijkheid hen niet beroert, en als hun gevoelens niet gekwetst worden door de wrede onbarmhartige ellende en door de peilloze diepten van de bestaande laagheid, hoe kun je dan hopen dat de vruchten van je verbeelding hen kunnen verbeteren? Geloof je werkelijk dat je het hart van een menselijk wezen kan ontroeren door hem over een bevroren kind te vertellen? De zee van ellende slaat kapot op de dijk van harteloosheid, hij slaat er woedend tegen aan, en nu wil jij proberen hem tot kalmte te brengen door er een paar erwten in te gooien!&#8217;</p>
<p>De spookverschijningen begeleidden deze woorden met hun stille lach, en de storm barstte uit in een schrille en cynische lachbui; maar de Stem bleef onophoudelijk spreken. Ieder woord dat hij sprak, was als een spijker die in mijn hersenen geslagen werd.</p>
<p>Het werd ondraaglijk en ik hield het niet meer uit.<br />
&#8216;Het is allemaal een leugen, een leugen!&#8217; schreeuwde ik in een aanval van woede. Ik sprong uit mijn bed en viel languit in de duisternis, zakte steeds vlugger en dieper in de afgrond die zich plotseling voor mij opende.<br />
Het fluiten, het gehuil en het gelach volgden mij in de diepte en de spoken joegen achter mij aan door de duisternis, grijnsden mij aan en bespotten mij. Ik werd &#8217;s ochtends wakker met een barstende hoofdpijn en in een heel slechte stemming.<br />
Het eerste wat ik deed was mijn verhaal van de blinde bedelaar en zijn vrouw nog eens overlezen.</p>
<p>Toen verscheurde ik het manuscript</p>
<p>EINDE</p>
<p>Bron van deze versie:<br />
&#8220;Een ster over de grens: verhalen voor Advent, Kerstmis en Driekoningen&#8221; samengesteld door Ineke Verschuren. Christofoor, Zeist, 1986. ISBN 90-6238-303-3</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.kerst-feest.nl/kerstspoken/feed</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>De fluit van de herdersjongen</title>
		<link>http://www.kerst-feest.nl/de-fluit-van-de-herdersjongen</link>
		<comments>http://www.kerst-feest.nl/de-fluit-van-de-herdersjongen#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 11 Oct 2006 13:07:15 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[Kerst verhalen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.kerst-feest.nl/de-fluit-van-de-herdersjongen</guid>
		<description><![CDATA[door Dan Lindholm
In de nacht toen Jezus geboren werd, liep een arme herdersjongen over de heuvels bij Bethlehem om één van zijn schapen te zoeken. En zo gebeurde het, dat hij niet bij de herders was, waarover de bijbel ons vertelt. Deze jongen diende bij een strenge heer &#8211; wie weet misschien wel bij een [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>door Dan Lindholm</p>
<p>In de nacht toen Jezus geboren werd, liep een arme herdersjongen over de heuvels bij Bethlehem om één van zijn schapen te zoeken. En zo gebeurde het, dat hij niet bij de herders was, waarover de bijbel ons vertelt. Deze jongen diende bij een strenge heer &#8211; wie weet misschien wel bij een van de waarden in Bethlehem &#8211; en als hij zou thuiskomen en er een schaap van zijn kudde ontbrak, dan kreeg hij slaag. Daarom lette hij nauwelijks op de wonderbaarlijke dingen die om hem heen gebeurden. Hij merkte niet dat de wind ging liggen; hij hoorde niet hoe de vogels begonnen te zingen en hij zag niet dat alle sterren plotseling met dubbele glans straalden. Zijn weg voerde hem de berg op. Hij zocht achter iedere struik, tot hij ten slotte boven op de berg stond. Van hier kon hij ver in het rond over de velden zien, helemaal tot de stad Bethlehem.</p>
<p>Terwijl hij daar zo boven stond, gebeurde het, dat de hemel zich opende en dat de nacht zo licht werd als de dag. Een ontelbare schaar engelen verscheen en hun lofzang klonk over de aarde. Hoe groot dit wonder was, dat in die nacht geschiedde, heeft tot op de dag van vandaag nauwelijks een mens begrepen. Daarom kunnen we het een kleine herdersjongen ook vergeven, dat hij deze boodschap niet meteen begreep. Hij dacht alleen maar aan het schaap, dat ervandoor gegaan was en hij wilde verder zoeken.</p>
<p>Toen stond er plotseling een engel voor hem en sprak: &#8220;Maak je geen zorgen meer om het schaap, op dit uur is een veel grotere Herder geboren. Ga snel naar Bethlehem, waar het Christuskind, de Verlosser van de wereld, in de kribbe ligt.&#8221; &#8211; &#8220;Voor de Verlosser van de wereld,&#8221; zei de jongen, &#8220;voor Hem mag ik toch niet verschijnen, als ik hem geen geschenk kan geven?&#8221; &#8211; &#8220;Hier, neem deze fluit en speel een lied voor het kind,&#8221; sprak de engel, en was op hetzelfde ogenblik verdwenen. Zeven tonen had die fluit en toen de jongen haar aan zijn lippen zette, speelde ze als vanzelf.</p>
<p>Dankbaar en blij liep hij de berg af. Hij wilde over een beekje springen, maar struikelde en lag languit zo groot als hij was, tussen de kiezelstenen. De fluit viel uit zijn hand. Uit zijn mond ontglipte een woord, dat misschien wel eens onder de herders gebruikt wordt, maar dat men beter niet gebruiken kan. Mooi was het niet! Én toen hij de fluit weer in de hand hield was er één toon verloren gegaan. Nog zes tonen kon de fluit spelen.</p>
<p>Tijd om te huilen was er niet en bovendien werd het pad langzaam beter; dus liep hij zo snel mogelijk door. Ineens bleef hij staan: vlak voor zich zag hij een grote wolf zitten met ontblote tanden, klaar om te bijten. Het was de lammetjesverslinder zelf. De jongen werd woedend. &#8220;Maak dat je wegkomt,&#8221; riep hij, en voor hij er erg in had, had hij de fluit naar de al wegvluchtende wolf gegooid. Toen hij haar weer vond, kon de fluit nog maar vijf tonen laten horen.</p>
<p>De herdersjongen was nu op de plaats gekomen waar de kudden steeds waren. Rustig lagen daar alle schapen en er heerste diepe stilte, slechts één schaap liep blatend rond. De jongen wilde het binnen de omheining brengen. Hij rende er achter aan en omdat het schaap hem ontweek gooide hij met wat hij juist in zijn hand hield. Het was de fluit, die weer een toon verloren had.</p>
<p>Maar waar waren de andere herders toch gebleven? De jongen kon immers niet weten dat zij voor het kindje in de stal knielden. Hij dacht dat ze vast weer met een kruik bier in de herberg zaten en dat hij als jongste weer de wacht moest houden. Boos schopte hij met zijn voet tegen een kruik met water, die dicht bij het vuur stond. Toen was het of een onzichtbare macht hem de fluit uit zijn hand sloeg, en toen hij haar weer opraapte had zij nog maar drie tonen over.</p>
<p>Daarop ging hij verder naar Bethlehem. Alles ging goed, tot hij door de stadspoort wilde gaan. Daar zag hij zich plotseling omringd door een groep straatjongens die hem zijn fluit wilden afnemen, maar hij wilde haar niet geven. Er vielen klappen over en weer. De fluit had hij weliswaar behouden, maar weer was een toon verloren gegaan.</p>
<p>Eindelijk stond hij toch voor de stal. Hoog boven het dak straalde de wonderbaarlijke ster en in de kribbe lag de Verlosser van de wereld. En toch zou het nog gebeuren dat de fluit nog maar één toon overhad, toen hij de stal binnenging. Want juist wilde hij langs de huisdeur lopen, toen de bitse hond van de waard op hem af schoot. Hij wist zich niet anders te verweren dan met wat hij in zijn hand hield en dat was de fluit.</p>
<p>Zo stond hij nu bij de staldeur maar durfde niet naar binnen te gaan. Hij schaamde zich heel diep, dat er zo weinig van zijn geschenk overgebleven was. In zijn onschuld kon hij niet weten, dat de weg die iedere mens tot de Verlosser voert vol hindernissen is.</p>
<p>Maar de moeder van het Christuskind wenkte hem binnen te komen. En heel stil kwam de jongen uit zijn hoekje te voorschijn en hij speelde op zijn fluit de laatste, nog overgebleven toon. Wat klonk die prachtig. Het Kind luisterde en iedereen in de stal luisterde, Maria en Jozef, de os en de ezel. Het Kerstkind strekte zijn goddelijke hand uit en raakte de fluit aan. En zie: op hetzelfde ogenblik was de fluit weer heel, en haar zeven tonen klonken weer zo mooi en heerlijk, zoals ze al in de hemel geklonken hadden.</p>
<p>EINDE</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.kerst-feest.nl/de-fluit-van-de-herdersjongen/feed</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>De kabouters</title>
		<link>http://www.kerst-feest.nl/de-kabouters</link>
		<comments>http://www.kerst-feest.nl/de-kabouters#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 11 Oct 2006 13:06:47 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[Kerst verhalen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.kerst-feest.nl/de-kabouters</guid>
		<description><![CDATA[Die Wichtelmänner
door de gebroeders Grimm &#8211; sprookjesnummer 039
EERSTE SPROOKJE
Er was eens een schoenmaker. Die was buiten zijn schuld zo arm geworden, dat hem tenslotte niets meer overbleef dan leer voor één enkel paar schoenen. Nu sneed hij ‘s avonds de schoenen, om ze de volgende morgen te naaien. En omdat hij een goed geweten had, [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Die Wichtelmänner</p>
<p>door de gebroeders Grimm &#8211; sprookjesnummer 039</p>
<p>EERSTE SPROOKJE</p>
<p>Er was eens een schoenmaker. Die was buiten zijn schuld zo arm geworden, dat hem tenslotte niets meer overbleef dan leer voor één enkel paar schoenen. Nu sneed hij ‘s avonds de schoenen, om ze de volgende morgen te naaien. En omdat hij een goed geweten had, ging hij rustig naar bed, bad tot God en sliep in. ‘s Morgens deed hij weer zijn morgengebed, zette zich aan zijn werktafel, &#8211; daar stonden de schoenen al helemaal klaar!</p>
<p>Hij verbaasde zich erover en wist niet, hoe hij het had. Hij nam de schoenen in zijn hand, om ze beter te bekijken; ze waren zo mooi genaaid, dat er geen steekje verkeerd was, juist alsof het als meesterstuk moest dienen. En kort daarop kwam een koper en omdat hij de schoenen zo bijzonder goed vond, betaalde hij er meer voor dan gewoonlijk, en voor dat geld kon de schoenmaker leer kopen voor twee paar schoenen, ‘s Avonds sneed hij ze, en hij wilde de volgende morgen met frisse moed gaan naaien &#8211; maar dat hoefde niet: want bij het opstaan waren ze allebei al klaar, en kopers bleven ook niet uit; en ze gaven hem zo veel, dat hij leer kon inkopen voor vier paren.</p>
<p>‘s Morgens vroeg vond hij ook die vier paren klaar, en zo ging het maar altijd door, wat hij ‘s avonds gesneden had, was de volgende morgen al geheel verwerkt, zodat hij al gauw uit zijn moeilijkheden was en daarna tenslotte een vermogend man werd. Nu gebeurde het op een avond, kort voor Kerstmis, toen hij weer al het snijwerk voor de volgende dag had gedaan, dat hij voor ‘t naar bed gaan tegen zijn vrouw zei: &#8220;Wat denk je, zouden we vannacht niet eens opblijven om te kijken, wie het eigenlijk is die ons zo de helpende hand reikt?&#8221; De vrouw was het ermee eens, en ze stak een lamp aan, ze verborgen zich in een hoek van de kamer, achter kleren die daar hingen, en ze bleven opletten. Het werd middernacht. Daar opeens kwamen twee kleine, naakte mannetjes, gingen zitten aan de schoenmakerstaf el, haalden al de gesneden stukken leer naar zich toe en begonnen met hun vingertjes zo handig te prikken, te naaien, te kloppen, dat de schoenmaker er z’n ogen niet vanaf kon houden. Ze hielden niet op voor alles klaar was, en op een rij op tafel stond, en toen hupten ze vlug weg.</p>
<p>De volgende morgen zei de vrouw: &#8220;Die kleine mannekes hebben ons rijk gemaakt, daar moesten we ons toch erkentelijk voor tonen. Ze lopen maar zo rond, ze hebben helemaal niets aan, en zullen ‘t zo koud hebben. Weet je wat? Ik zal een paar hemdjes breien, maak jij er dan voor ieder een paar schoentjes bij.&#8221; De man zei: &#8220;Mij best.&#8221; En toen ze op een avond alles klaar hadden, zetten ze dat alles in plaats van ‘t gesneden leer, bij elkaar op tafel, en verstopten zich toen om te kunnen zien, hoe de mannekes dat zouden opnemen. Klokslag middernacht kwamen ze aangehuppeld, en ze wilden meteen aan ‘t werk gaan; maar ze vonden geen stukken leer, maar leuke kleertjes. Eerst waren ze verbaasd, toen toonden ze zich dolblij. In een wip hadden ze alles aangetrokken, maakten de mooie kleertjes precies vast, en ze zongen:</p>
<p>    &#8220;Zijn onze kleren niet sierlijk en fijn?<br />
    En zouden we dan nog schoenmakers zijn?&#8221;</p>
<p>Toen huppelden ze en dansten en sprongen over stoelen en banken. En eindelijk dansten ze de deur uit. Sinds die tijd zijn ze niet meer gekomen. Maar de schoenmaker had het goed zolang hij leefde, en alles wat hij begon, lukte hem.</p>
<p>TWEEDE SPROOKJE</p>
<p>Er was eens een arm dienstmeisje. Ze was vlijtig en netjes en ze veegde elke dag het hele huis en schudde alle vuil op een grote vuilnishoop voor de deur. Op een morgen, toen ze juist weer aan ‘t werk zou gaan, vond ze een brief op die vuilnishoop. Ze kon niet lezen, ze zette haar bezem in de hoek en bracht de brief aan haar meesters, en het was een uitnodiging van de kabouters; ze vroegen haar om voor hen een kind ten doop te houden. Het meisje wist niet, wat ze doen zou, eindelijk na veel overreden en omdat ze tegen haar zeiden, dat men zoiets niet weigeren mag, stemde ze toe. Toen kwamen er drie kaboutertjes, en die brachten haar naar een holle berg, waarin de kabouters wonen. Alles was daar heel klein, maar zo sierlijk en zo rijk, dat het niet te zeggen is. De jonge moeder lag in een bed van zwart ebbenhout, met knoppen van parels; de dekens waren met goud doorstikt, de wieg was van ivoor, en er was een gouden badje. Het meisje hield het kind ten doop, en wilde toen weer naar huis. Maar de kabouters vroegen haar dringend, nog drie dagen te blijven. Nu, dat deed ze, en ze had een vrolijke, feestelijke tijd, en ze deden alles om haar plezier te doen. Eindelijk wilde ze weer terug, toen stopten ze haar alle zakken vol met goud, en brachten haar toen de berg uit. Ze kwam thuis, wilde weer aan ‘t werk gaan, nam de bezem weer uit de hoek en begon te vegen. Opeens kwamen er vreemde mannen ‘t huis uit. Ze vroegen wie ze was, en wat ze daar deed. Het waren geen drie dagen, zoals ze gedacht had, maar ze was zeven jaar bij de kabouters in de berg geweest; en de vorige meesters waren al lang overleden.</p>
<p>DERDE SPROOKJE</p>
<p>Er was eens een jong moedertje, en de kabouters hadden haar kind uit de wieg gestolen en er een wisselkind voor in de plaats gelegd, eentje met een dikke kop en starre ogen, dat niets deed dan eten en drinken. In haar droefheid ging het moedertje naar de buurvrouw en vroeg om raad. De buurvrouw zei: dat ze ‘t wisselkind naar de keuken moest brengen, bij de haard zetten, vuur aanleggen, en water koken in twee eierschalen; dat maakte ‘t wisselkind aan ‘t lachen; en als ‘t lachte was ‘t met hem gedaan. De vrouw deed precies wat de buurvrouw gezegd had. Toen ze de eierschalen vol water op ‘t vuur had gezet, sprak de dikkop:</p>
<p>    &#8220;Nu ben ik zo oud,<br />
    als het Westerwoud,<br />
    maar ik heb nog nooit iemand gezien,<br />
    die kookte in eierschalen!&#8221;</p>
<p>En toen begon hij te lachen. Terwijl hij lachte, kwam er opeens een hele massa kaboutertjes, en ze brachten het goede kind terug, zetten dat bij de haard en namen het wisselkind mee.</p>
<p>EINDE</p>
<p>Bron van deze versie:<br />
&#8220;De sprookjes van Grimm; volledige uitgave&#8221; vertaald door M.M. de Vries-Vogel. Unieboek BV &#8211; Van Holkema &#038; Warendorf, Weesp, 1984.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.kerst-feest.nl/de-kabouters/feed</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Godfried Bomans &#8211; De engel</title>
		<link>http://www.kerst-feest.nl/godfried-bomans-de-engel</link>
		<comments>http://www.kerst-feest.nl/godfried-bomans-de-engel#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 11 Oct 2006 13:06:15 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[Kerst verhalen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.kerst-feest.nl/godfried-bomans-de-engel</guid>
		<description><![CDATA[door Godfried Bomans
DE ENGEL
Boven, in het topje van de kerstboom, stond een engel. Hoe zij daar gekomen was, dat kon zij zich met de beste wil niet meer herinneren. Zij had nog een vage heugenis aan een nauwe, donkere ruimte, waaruit zij opeens door een kleine hand in, een zee van licht getild was. Het [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>door Godfried Bomans</p>
<p>DE ENGEL</p>
<p>Boven, in het topje van de kerstboom, stond een engel. Hoe zij daar gekomen was, dat kon zij zich met de beste wil niet meer herinneren. Zij had nog een vage heugenis aan een nauwe, donkere ruimte, waaruit zij opeens door een kleine hand in, een zee van licht getild was. Het was een glorieuze geboorte geweest en sinds dat ogenblik was zij altijd gelukkig geweest. Dit alles had eigenlijk nog maar één avond geduurd, maar voor een Kerstengel is dat een eeuwigheid, dat begrijp je wel.</p>
<p>Arme, kleine Kerstengel! Zij wist niet dat het Kerstfeest slechts een enkele avond duurt en dat die al bijna voorbij was. Zij stond, met een blikken knipje aan de boom bevestigd, zachtjes heen en weer te wiegen en keek door haar gazen vleugels naar de lichtjes der kaarsen, die beneden haar brandden.</p>
<p>En opeens, daar doofde een kaars uit. Meerdere volgden.</p>
<p>Het werd steeds donkerder om haar heen en ten laatste zag zij niets dan de zwarte nacht. De engel nieste, want de walm der gedoofde kaarsen prikkelde in haar neus. In het begin dacht zij dat het een grapje was, maar toen het donker bleef, kwam zij tot nadenken. &#8220;Ik had beter moeten opletten, toen het nog licht was,&#8221; dacht zij spijtig, &#8220;ik heb helemaal niet gekeken. ik herinner mij eigenlijk niets. Absoluut niets. Werd het maar weer licht.&#8221;</p>
<p>En het werd licht. Maar hoe geheel anders was dit licht. Grauw, groezelig en met tegenzin viel het door een groot, vierkant raam, en eer het ten volle ontloken was, kwam er een dienstbode in de kamer; pakte de Kerstboom en smeet hem op zolder.</p>
<p>Bom. Daar lag de engel en keek recht in een naad van de planken vloer. Het was er verschrikkelijk koud, en buitengewoon ongezellig. In het begin dacht de engel weer: &#8220;Kom, kom het is maar een grapje,&#8221; maar toen zij daar drie volle dagen en nachten in de naad van de houten vloer gekeken had, begon zij. zich ernstig ongerust te maken.</p>
<p>En hoe langer zij over het licht van het vierkante raam nadacht, hoe duidelijker begreep zij dat dit het mooiste was dat zij ooit gezien had. &#8220;Ik zal proberen het je uit te leggen,&#8221; sprak zij op een maartse dag tegen een muis, die juist voorbijkwam, &#8220;door een glazen gat in de hemel viel een verblindend licht bovenop mijn hoofd. Dat is het mooiste wat ik ooit heb meegemaakt. Ik kan je niet zeggen, hoe gelukkig ik eigenlijk was. Maar ik was in die tijd erg onnozel: ik besefte het niet. Nu weet ik het. En nu is het te laat. Maar ik heb tenminste de herinnering.&#8221; &#8220;Dat is altijd wat,&#8221; meende de muis, na er een hele tijd over te hebben nagedacht, &#8220;goedendag, ik moet verder.&#8221;</p>
<p>Op een dag kwam de meid op zolder en vond de Kerstengel in een schemerige hoek op de grond liggen. En zij nam haar op en smeet haar in het kolenhok. Daar lag zij, tussen twee turven, recht tegenover een somber kijkend stuk antraciet. Een week lang zweeg de engel, want zij vond dit geen gezelschap om tegen te praten.</p>
<p>Doch eindelijk, op een dag in september, kon zij zich niet meer inhouden. &#8220;Jullie hebben er geen flauwe voorstelling van;&#8221; sprak zij, &#8220;hoe het licht op zolder is. Het doet bijna pijn aan de ogen, zó stralend is het. Jammer genoeg was ik toen te beperkt om mijn zaligheid ten volle, te begrijpen. Maar ik heb nu tenminste iets om aan te denken.&#8221; &#8220;Dat is altijd wat,&#8221; meende het stuk antraciet, &#8220;maar ik vind de verlichting hier ook heel redelijk.&#8221;</p>
<p>De engel, zweeg. Tegen zulk een bekrompen opvatting was het vruchteloos te spreken.</p>
<p>Op zekere ochtend nu speelde het, jongetje, dat in het huis woonde, in het kolenhok. En toer hij de engel zag nam hij haar op en, wierp haar in de vuilnisbak. Het was er aardedonker. De engel vatte haar,nieuwe toestand aanvankelijk als een scherts op, doch toen het drie dagen lang donker bleef, zó pikdonker, dat niemand in de vuilnisbak een hand voor zijn ogen zag, kwam zij tot nadenken. Zij dacht en, zij dacht, en ten laatste kon zij het niet meer houden en riep: &#8220;Is hier soms iemand om naar mij te luisteren?&#8221; &#8220;Jawel,&#8221; zei een stuk spiegelglas, &#8220;als het niet te flauw is.&#8221;</p>
<p>En de engel vertelde van het verblindende licht in het kolenhok en hoe verrukkelijk het daar geweest was. &#8220;Ik was te dom,&#8221; besloot zij met een zucht, &#8220;om het te begrijpen. Maar nu begrijp ik het. Ik zie het helemaal in.&#8221; Het stuk spiegelglas zweeg, want het had zoveel ijdelheid in zijn leven gezien, dat het wat eenkennig geworden was.</p>
<p>Op een donderdag, in de namiddag, toen het al wat schemerig was, kwam de vuilnisman voorbij. Hij sloeg het deksel op en zag de engel liggen. Nu is het altijd prettig een engel te ontmoeten, doch als men vuilnisman is, voelt men zich dubbel verblijd. En hij stak de engel in zijn zak en gaf haar &#8217;s avonds aan zijn vrouw. &#8220;Alsjeblieft,&#8221; zei hij, &#8220;voor de Kerstboom.&#8221; En de vrouw van de vuilnisman borg de engel in een kartonnen doos en zette de doos in de kast.</p>
<p>&#8220;Hallo,&#8221; zei de engel, na een tijdje stil te hebben gelegen, &#8220;is hier iemand?&#8221;</p>
<p>Maar er was niemand in de doos dan het houtwol waarin de engel lag; en houtwol, dat weet je, heeft een zwijgzame aard. En dat was maar heel goed, want, de engel had eigenlijk helemaal niets te vertellen. Want hoe zij ook dacht en peinsde over haar oude vuilnisbak, zij zag er niet meer licht in dan in de kartonnen doos waarin zij nu lag: het was in beide even donker. En toen, eindelijk, toen zij begreep dat het niet zwarter meer kon worden, liet zij het verleden varen en dacht aan de toekomst.</p>
<p>En een nieuw gevoel doorstroomde haar, zij gevoelde zich blij en vol verwachting. Alle spijt en alle wrok weken uit haar hart, en zij lag stil en met open ogen te wachten op de kleine hand, die haar omhoog zou heffen uit het duister naar het licht.</p>
<p>En de hand kwam en hief haar omhoog naar het topje van een kerstboom. De Kerstboom was veel kleiner dan die van het vorig jaar en er brandden ook minder lichtjes in. Maar dat zag de engel niet. Met een blikken knipje aan de top bevestigd, wiegde zij zacht heen en weer en keek door haar gazen vleugels naar de fonkelende versierselen van de boom. &#8220;Verrukkelijk,&#8221; dacht zij, &#8220;verrukkelijk. Maar laat ik dit keer goed opletten. Dadelijk is het voorbij. En dan wil ik alles gezien en alles geweten hebben.&#8221;</p>
<p>En zij sperde haar ogen wijd open en zij tuurde dwars door de takken naar beneden. En zij zag, de vuilnisman staan, in een nieuw pak gestoken, zijn vrouw,en hun beider kind, met een blauwe strik in het haar. En de ogen van het kind keken strak en regelrecht in een klein, open huisje, waarin ook een man, een vrouw en een kind te zien waren, maar véél en véél kleiner, en verder een os, en een ezel, zo groot als, de beestjes in een speelgoeddoos.</p>
<p>Opeens schrok de engel. Want daar, aan de nok van het huisje, was een engel bevestigd als zij, met dezelfde gazen vleugels en hetzelfde lint met de handen ophoudend als zij in haar eigen handen hield. En nu voor het eerst kon zij de woorden lezen, die erop stonden: &#8220;Glorie aan God en vrede op aarde aan de mensen van goede wil.&#8221;</p>
<p>En een gevoel, van diep geluk doorstroomde de eenzame engel boven in de boom, die zich zo lang verlaten en verongelijkt had gevoeld. &#8220;Ik heb een Boodschap in mijn handen,&#8221; dacht ze fier, &#8220;nu kan mij niets meer gebeuren. Welke ongelukken mij ook zullen overkomen, ik heb mijn schat bij mij en niemand kan mij die ontnemen.&#8221;</p>
<p>En er overkwamen haar vele ongelukken. Want in het vierde jaar brak zij af van de boom en kwam in een blokkendoos terecht, en van hier uit belandde zij in de lappenmand. En tenslotte woei zij in de tuin op een hoop dorre bladeren en lag daar stil op haar rug naar de jagende wolken te kijken. En zij voelde, hoe zij langzaam en pijnloos verteerde, dag na dag; maar zij hield het lint stevig vast en, er was geen bitterheid in haar. Want zij wist dat zij een wezen was; bestemd om dood te gaan, doch uitverkoren om de Goede Boodschap tot het einde te bewaren.</p>
<p>EINDE</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.kerst-feest.nl/godfried-bomans-de-engel/feed</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
	</channel>
</rss>
